Home » » FAKTA DAN BUKTI SEJARAH BAHWA "PULAU BERHALA" MILIK PROVINSI JAMBI

FAKTA DAN BUKTI SEJARAH BAHWA "PULAU BERHALA" MILIK PROVINSI JAMBI

Ditulis Oleh Beny Setiawan pada Jumat, 06 April 2012

FAKTA DAN BUKTI SEJARAH BAHWA "PULAU BERHALA" MILIK PROVINSI JAMBI

BATAS PULAU BERHALA NEGERI JAMBI DATUK PADUKA BERHALO JAMBI
(BUKAN DATUK PADUKA BERHALO RIAU)
Setelah mencoba beberapa minggu "membongkar" arsip museum negeri Belanda, untuk meyakinkan apakah benar Pulau Berhala memang benar-benar milik jambi, maka Saya mendapatkan beberapa buah buku tempo dulu sebagai catatan ekspedisi orang Belanda ke Jambi yang banyak menyatakan mengenai beberapa nama pulau berhala dan letak geografisnya yang semuanya mereka letakkan di Jambi bukan di Riau, bahkan tidak ada satupun dokumen yang menyatakan bahwa Pulau Berhala itu di Kepulauan Riau.

Semua peta, photo dan dokumen yang ada di bawah ini semuamenyatakan bahwa Pulau Berhala adalah milik Provinsi Jambi sebagai batas bagian Timur Jambi dan tidak satupun keterangan yang menyatakan bahwa Pulau Berhala masuk ke Provinsi Riau apalagi masuk ke Kerajaan Lingga.

COPIAN BUKU ASLINYA ADA SEMUA LENGKAP!!!!

PETA PULAU BERHALA MASUK PROVINSI JAMBI
PETA TAHUN 1900
(ASLI MILIK JAMBI DENGAN BERBAGAI DATA YANG TELAH DITEMUKAN DALAM ARSIP MUSEUM BELANDA)

Gambar atas: Photo berhala tempo dulu (Tahun 1901-1912)
Jambi , Berhala (eiland) , Berhala- Straat , Jambi , Sumatera , Indonesië

Gambar atas: Photo pulau berhala tempo dulu (Tahun 1930)
Jambi , Berhala (eiland) , Berhala- Straat , Jambi , Sumatera , Indonesië

Gambar atas: Photo pulau berhala tempo dulu (Tahun 1930)
Jambi , Berhala (eiland) , Berhala- Straat , Jambi , Sumatera , Indonesië

Gambar atas: Photo pulau berhala tempo dulu (Tahun 1930)
Jambi , Berhala (eiland) , Berhala- Straat , Jambi , Sumatera , Indonesië

Gambar atas: Muara Sabak tempo dulu (Sekitar tahun 1877-1879)

BOOK I
Jan Huyghen van Linschoten, Itinerario, voyage ofte schipvaert naer Oost ofte Portugaels Indien
1579-1592.
Deel 4 en 5.
PULO VARELLA
(Page 138)
Willende van de Calantigas nae het eylandt Pulo Varella 8)+ (+Cours vande Calantigas na Varella.) loopen, soo loopt z.o. ende z.o. ten o. aen, waermede daer op aen sult comen, is in de distantie 9 mylen; Ghy sult op desen wegh vinden 7 ende 8 vadem diepten, ende dicht by 't Eylandt 16, 17 vadem, te weten, aende zyde van 't noorden, ende vande zuydt zyde sult ghy minder hebben; Dit Eylandt heeft versch water.+ (+Plaetse van het Eylandt van Varella.) Dit Eylandt vande Varella is gheleghen recht teghens over------------------------------8) Thans Berhala wat hetzelfde beduidt als Varella.
(Page 139)eenen hoeck van 't landt van Samatra, ghenaemt Tanjanbon 1) , van welcken hoeck tot het Eylandt zijn twee mylen, ende men loopt het n.n.w. ende z.z.o. Sult loopen tusschen dit Eylandt ende den hoeck heen, latende 'tEylandt 'tZeewaert, aende zyde van 't back-boort. In 't aenghesicht van desen hoeck ligghen drie eylanden, waer van het grootste ghenaemt wort Lambe 2) ; ende+ (+Gheleghentheyt van Lambe ende noch 2 Eylanden.) langhs het landt van Samatra en heeftmen gants gheen eylandekens noch Clippen.------------------------------1) Thans Tandjong Djaboeng.2) Te lezen: de delta van de Djambi-rivier.

BOOK II
POULO BAVALLA
BIJDRAGEN TOT DE TAAL-, LAND- EN VOLKENDUNDE VAN NEDERLANDSCH-INDIE, UITGEVEN DOOR HET: OLEH 'S.GRAVENHAGE, MARTINUS NIJHOOF 1907.
(Pagina 291-294)Jambi, 25 Oktober 1621 (dalam catatan Desember 1636)
OOST-DfDISCHl COBIFAGNIB 1602 1800. 291

CXXL DJAMBI.

December 1636. ^

Na het verdrag met Djambi van 25 October 1621 (sie hiervóór, bldz. 174) bleven de handelsbetrekkingen — peper was hier in de eerste laats geaoefat — voortduren, met afwisselend resultaat en onder afwisselende gezindheid ten opzichte van elkander. Een rustpunt op den weg was onderstaande overeenkomst (vgl. Tiele— Heeres , Bouvostoffen^ U, bidz. XXIV, V.V., LXXrV, V. ; Dagh^Beg%8têr,ie24^1637^ passim ; Mao Leod, O. I. ö, op Sumatra in Indische Gids, 1908, bldz. 1254, v.v., 1913 , v.v.) , opgemaakt in den vorm van „vraghen ende voorstellingen^' van de zijde van Djambi en antwoorden daarop van den kant van den koopman Lukas de Vogel , die toen in Djambi onze aangelegenheden behartigde.

Onder dit recht zal staen pangoran Ava ^ ende het opperhooft der Hollanders in Jamby. ^

De Nederlanders versoecken dat pangoran Ava ^ hare voor dese toegestane vrijheden niet vermindert.

1. Eerstelijck begeert den Coninck, dat het vaertuijch van Jambij op wat plaets het oock sonde mogen handelen niet aengehaelt zal worden ende bij aldien d^HoUanders eenich vaertnijch aenslaen, b^eert den coninck tweevondich sal gerestitneert worden.

Eerstelijck : gelijck voor desen gebraijckelijck is geweest, de plaetse te noemen derwaerts de vaertuijgen snllen vertrecken, alsoo can hierin sonder spesiaale ordre vanden Ed. H' Gouvemenr Generael niet antwoorden. '

2. Daer en boven soo eenich handelvaertnijch ofte in ofte nijt Jambij
gaet , soot selve vande Hollanders wort aengetast, begeert den coninck , 1 Overgenomen uit Dagh-Refftster 1637 ^ bldz. 49, v.v. ' Moet zijn ^pangoran Aria'', die in 1636 de regeering over Djambi had
aanvaard, na reeds geruimen tijd de feitel^ke leiding van het bestuur in handen te hebben gehad (Zie Bouwstoven y II, bldz. LXXIV, v.).

* In deze en de volgende vragen van den Pangeran en het antwoord daiarop van onzen vertegenwoordiger ligt een der twistpunten tusschen de O. I. C. en Djambi opgesloten. Reeds sedert eenige jaren hielden wij de jonken van Patani, Siam, enz., die peper gingen laden in Djambi voor andere plaatsen dan Batavia, aan; wij lichten de peper er uit en betaalden die tegen marktprijs {Bouwstoff'en , II, bldz. XXVII, noot 1), terwijl andere moedwiUigheden niet uitbleven (Vgl. ook het contract met Palembang van 21 Juni 1641).


£92 GENERALE NEDEELANDSCHE OEOCTROYEEBDE

dat alle haer goederen haer weder vergoet zullen worden, van Ajer Itam ' aflf, tot Poulo Bavalla * ende Gualla Tomqual. *

Het tweede zullen wij den Coninck bij provisie toestaen; onder- tussclien verwachten naerder ordre vande E. heer gouverneur generaal.

8.

Wijders begeert den coninck, dat de scheepen buijten voor Quale Injoor * sullen anckeren ende soose binnen comen, suUense voor de revier Sungeij Assam ^ ten ancker comen ende soowel int uijtgaen als incomen sullen door Quala Injoor passeeren.

Doch cunnen niet verwilligen in eenich nieuw ancker plaets, dewijl dit mede een nieuwe vont is , maer moet sijn hoocheijt tselve als mede alle andere nieuwe invoeringhe bij den Ed. Heer gouver- neur-generaal versoucken.

4.

Yoorders begeert den pangoran, als men den peeper sal wegen, dat deselve met des conincx daetsje * sal gewooghen worden , gelijck oock alle andere coopluijden sullen doen.

Aengaende den daetsjeu wij vertrouwen dat den pangoran gerech- ticheijt in sijn lant sal hanthaven ende geen cleender noch grooter daetche sal in voeren als voor desen gebruijckt is geweest ende de ^ practijcque der Chijneesen int veranderen van de daetsche sal wegh- neemen, twelck ons sonderlingh aengenaem zal zijn.

5.

Boven desen begeert den coninck, soo de Hollanders voordestadt ^.fedt
met scharp schieten, ' justitie over de selve te doen naer de cos- — ^os- tuijme van Jambij.

eti
^ Op de Kaart Midden-Sumatra der nieuwe uitgave van Stemfoort en Ten SiethoflPs atlas treft men een Ajar Itam Laoet en een Ajer Itam Dalam -"^ck-^bu aan ten Zuiden der Batang Hari.

8 Vermoedelijk poeloe Berhala.

' Zeker de Koewala (monding) der Tongkal-rivier. Deze aanwijzingen geven dus aan de grenzen, ook nog ongeveer de tegenwoordige, van Djambi.

* De koewala der Soengei Nioer, de Westelijke monding der Batang Hari.

* Een der zijtakken van de Nioer. ^ Gewicht: datjin. 7 Een niet geheel ongewone baldadigheid der Nederlanders van die dagen*

OOST-INDISCHE COMPAOXIE 1602 1800. 298

Soo ijmant een groff canon affschiet voor de stadt met scherp geladen, voorwaer zulcx is onbehoorlijck ende tegen recht van vrunt- schap: deselve sal gemulcteert worden naer rechte van Neerlandt.

6.

Voerders ijmant quetsende begeert dat nae grootheyt der quetsure stervende ^, dat die geene die geschooten sal hebben door den pan- goian gejustitieert sal worden datter de doot naer volcht, ende soo 1 ijmant sal vechten met de Jambijneesen , sal mede nae de Jambijnese leclite geoordeelt worden; van gelijcken soo ijmant van de Jambij- neesen sal vechten met de Hollanders, sal mede naar de Jambijneese rechten gestraft worden.

Ende soo ijmant met een coegel ofte andersints in eenich gevecht edoot worden, versonckt, [dat] sijne hoocheijt indesen onsen oude vrijheijt niet vermindert , maer dat de Jambijneesen na de rechten van Jambij ende onse Nederlanders naar onse Neerlantse rechten moghen ge- oordeelt worden, gelijck het recht van ambassaetschap ende bont- genootschap is vereijschende.

7.

Mede begeert den coninck, soo ijmandt van de Hollanders sich ▼ermenght met Jambijse vrouwen , dat deselve met soodaenighe recht ^^ gestraft worden als in Jambij gebruijckelijck is.

^an gelijcken soo sich ijemant vande Nederlanders met een •'^nibijache vrouwe vermenght, dat de vrouwe naer de Jambijsche ^hteu ende de mans na de Nederlantsche rechten sal gestraft worden, ^J^ cracht vant evengenoemde recht van ambassaetschapp ^.

8.

^och begeert den coninck, soo eenich Chijneesch schuldich is !!^^de Nederlantsche Comp^® ende deselve daerover gebonden ofte in ^^ boijen geslooten wordt, schoon off de Chijnees reden geeft, soo y^^ollanders tselve den coninck niet te kennen gegeven, over de ^^crlanders soodanich recht doen als in Jambij sal ganghbaer sijn.

I^t achtste artijckel alsmede de twee voorgaende strijden directelijck ^

X)e zin is hier niet geheel duidelijk.

%et vraagstTik der exterritorialiteitsrechten was ten opzichte van Djambi sedert eenige jaren een netelige quaestie geweest (Vgl. Bouwstoffen, II, . XXXI, V.; onuitgegeven missive van D. Tresd te Djambi aan 00. Speex, ^an, 1631; J, Oostertctjck aan Speex, 20 Oct. 1631; Specx aan Oostenotjckf 'er. 1631.

294 GEKEBALE NEDEBLANDSGHE OEO0TBOYEE&DE

tegen het oude contract ^ ende tegen de vrijheeden ons voor desen vergunt; soo wordt mede den beloofden eijscher van d^K Heer Gouverneur Generael al te spits afgeslaghen ^ , oversulcx eunnen hierinne niet cousenteeren , maer verwachten dat sijne hoocheijt hierin sich beter sal beraden, ende dat geen verminderaer maer een vermeerder zal zijn vande immuniteijten ende previlegien d^onse bij sijne hoocheijt voorouders uijt sonderlinghe liefden toegestaen '.



BOOK IIIPULO VARELLA
Van Diemen, Caen en Van der Lijn VIII, 18 december 1639

(Pagina 9)
Volgens ons schrijven ]>er de commandeurs Deutecom ende Reniersen 4) alsresolutie van 24 february sijn den 30*^" d." van hier verseylt de jachten Wachter ende Negepatnam na de strate Palimbangh ende Pulo Varella 5) omme sekerc
---------------------------
4) Onsnr. VI.
5) Bedoeld is Berhala, dl. I, p. 507.

(Pagina 10)
twee jonckcn, uyt China nae PaUmbangh ende Jamby tenderende, 't incomen te verhinderen ende op Batavia te wijaen, gehjck per instructie, gcdateert 29 derscl- ver maent, nader gededuceert wert. Alvooren Negepatnam onder Varella ver- scheen, was een derselver jonckcn tot Jamby aengclandt ende d'ander, onse wacht omtrent Palimbangh eschapperende, daer te reede geioopen.

BOOK IV
Camphuys, Hurdt, Van Outhoom, Pit, Van Hoom, enz. XII, 28 februari 1687POULO FAREL

(Pagina 80)
De bepaggering van de logie met rijpe boomen en goelamhouten was nu vol-
bragt ende dito logie weder opgereddcrt en bniykbaar gemaekt.
Fol. 1045V.

Den Konink was veel sieckelijk en door sijn hoogen ouderdom bijna kints geworden, waarom de grooten, speciaal. Pangiran Diepa en Mancaboemi, grooten debvoiren aanwenden om Pangiran Depatty bij 't leven van den Conink op den throon te stellen, waartoe in korte wel apparentie was.
Fol. 1045v-1046f.

Van Sousang 1) was op Palembang gebragt seker toepas, genaamt Jan Andriesz., geboortig van St. Thome. Desen had volgens zijn seggen eenigen tijt bij d'Engelse voor matroos gedient en van haar op sijn instantig aanhouden om betalinge van sijne verdiende gagie op Sousang aan land geset, rapporteerendo, hoe omtrent twee maanden geleden met een Engels schip, genaamt de Roos, aan Poulo Farel 2) en met desselffs fluyt in Jamby was geweest, alwaar dien Conink d'Engelse met veel
caresse magnificq had onthaelt en haar geaccordeert de logie weder op te bouwen, alsmede vrije commercie verleent op dien voet, als voor desen daar hadden genoten, waarvoor sij den C." 3 kisten buspoeder hadden vereert.
Fol. 1046f-v.
(Te Permissang is voldoende provisie; de Sultan van Djambi heeft op zijn tocht naar het binnenland )

de arme peperboeren soodanig geplaagt en gestroopt, dat op het
simpel gerugte van sijn tweede optogt (die tot heden geen voortgaan heeft geno-
men) weder wel 200 huysgesinncn uyt de rivier Tambessy naar de Palirab.^® zijde
sijn gevlugt. Gedurende den optogt van desen Vorst wierd door sijn Koninginne
Ratou Tenga een kloeck vaartuyg en door haar toedoen nog 2 andere dito's onder
den befaamden zeerover panglima Teco toegerust om deselve, naar gissinge voUa-
den met 500 p.^ peper, na Siam te laten afsteken, veraoekende Haar H.* door den
Pangiran Monco Pradja 3) en de sabandaren daartoe onse toestemminge,
Fol. 1047v-l048f.
( ivaarbij men zich ten onrechte beriep op art. 3 van het contract van 20 aug. I6S], de V.O.C, nam 338 picol uit éen vaartuig tegen betaling en verrekening met oude vorderingen over d 4 rad. het picol, de beide andere vertrokken; de Vorst is niet bereid peper naar Batavia te zenden^ )

omdat Riauw veel nader en gereder legt als Batavia, alwaar men ook meerder prys voor de peper ontfangt. Daarenboven is desen armen Prins niet magtig een vaartuyg met peper bijeen te brengen, hebbende daarbij ook geen gedult om soo lang naar sijn geit te wagten.
Fol. 1049'.
------------------------------
1) Bedoeld ia Sungsang, vgl. dl. IV, p. 801, noot 1.
2) Bedoeld is Pulau Berhala, vgl. dl. I, p. 597, noot 3.
3) Pangeran Mangkupradja, Djainbiache grote, in 1683 een der beide gemachtigden tot het sluiten van vrede met Palembang.

BOOK V
PULAU BERHALA
Van Outhoom, Van Hoorn, Pijl, De Haas, Van Riebeock, enz. XIII, 19 januari 1697

(Pagina 790)
(Van Malakka werden brieven ontvangen van 31 jan. tot 22 oei.; men ontving van daar 180250 'vè tin en 17500 'S peper, er door de Palembangse gezanten aangebracht, samen waard f. 56028; er w daar nog 64700 ® tin, bestemd voor Bengalen en Ceylon en 48050 "K., juist ontvangen; tegen de concurrentie van Johore viel weinig te doen; goud werd er niet ontvangen; de Spanjaarden uit Manilla behoeven er bij passeren geen rechten te betalen, opdat zij er kaneel zullen kopen a 55 rsd. het pak van 80 ffi, miis die niet naar het weMen vervoerend; naar Malakka werden in 1696 gezonden cargasoenen van f. 121923, w.o. 25000 rsd. payement en 100 last rijst; men trok er van 1 jan. tot 1 oct. voor 8459 rsd. wissels op Batavia; gouverneitr Vosburgh, die tot commissaris en
gouverneur van Coromandel was benoemd en door Govert van Hoorn vervangen werd, mocht wegens ziekte naar Batavia komen; de secunde Pieter de Vos ujerd vervangen door Abraham Douglas en benoemd tot hoofd van het generale soldij kantoor; de raad bestond er slechts uit de gouverneur, secunde, fiskaal-independetU, kapitein en sjahban- dar en is daarom aangevuld met de gamizoensboekhouder en pakhuismeester; het vertrek van ds. Goting is opgeschort; de achterstallige interesten voor de diaconie zijn geheel, de uitgeleende kapitalen deels binnen gekomen; de beschuldigingen van Van Helsdingen tegen Vosburgh zijn gesteld in handen van den advocaat-fiskaal Van Wijn- gaarden, die hem onschuldig acht; de verpachting bracht jan. 1696 voor een jaar te Malakka op 4887 rsd., 31 aug. was er in een jaar uitgegeven f. 151239 te-gen f. 55165 inkomsten; men blijft er waakzaam tegen de Fransen).
Tegens de boschrovera van Nanning en Rombouw, die aelfs tot aan Bouquet China 1) onder de stadt de menschen bij nagt en ontijden verrasten, hebben wy haerl. oock aanbevolen de vereyschte ordre to stellen en ten dien eynde nu jongst ses jonge rijdpaerden op haerl. versoeck tocgesonden.
Fol. 95»-96'.
(13 febr. 1696 Panglima Kulup, van wien ten onrechte was vermM, dat hij pagars had opgeworpen op Pulau Berhala en de Diamanthoek, ) al voor 4 è, 5 maanden van daer geweken was, te weten (soo men rugtede) over Oudjangsalang te lande na Siam, dog dat er weder een anderen rover, sig PangHma Radja latende noemen, in 't vaerwater was. Fol. 96^. (Ook ter Oostkust van Java doen zich zeerovers voor, de onderdanen moeten tegen hen beschermd worden, ) 't welck, wanneer de opperhoofden der kruyssende vaertuygen in 't Malaxe vaerwater wat eerlijker betragteden, soo souden sijl. sulke gasten wel soo ligt konnen attrapperen, als sijl. dat nu ter contrarie onderstaan te doen aen goede handelaers.
Fol. 97».
Alsoo den bekenden voorvlugtigen Jacob Jansz. de Roy van Aetchin aan den gouverneur Gelmer Vosburg versogt had voor hem bij ons te willen inter- céderen om pardon, mitsgaders levensmiddelen tot Batavia off elders of wel eenig
------------------------------
1) Bukit Tjina (maleis: heuvel, chinees), een buitenwijk van Malakka.

BOOK VIVan Hoom, Van Riebeeck, Van SwoU, Douglaa, De Vos, enz. XXI, 30 november 1707
FARILHA dan VARELLA
(Pagina 489)
te mogen verkopen, de Hoge Regering keni geen andere middelen tot verbetering van de situatie, kei personeel aldaar is om advies gevraagd, ivaarbij het niet af moet gaan op de leugens der tolken; komt het hun voor, dat op zilveruitvoer getvonnen kan tvorden, dan moet daartoe toestemming gevraagd tvorden, als proef men) eenig schuyt- ©n boontjessilver ter waarde van 15 coeb." soudo sien te bemagtigen en daarvan een derde herwaarts, een derde naar Cormandel en een derde naar Bengala te senden om in de munten als anders te kunnen ontwaren, waarvoor het een en ander te verhandelen en wat differenten tusschen de waarde van die 2 spetten respective bevonden zij.
Fol. 499'.
(De Driebergen kwam pas 15 aug. uit Coromandel; ook koper tot de gepermitteerde hoeveelheid van 26000 pikol moet voor kobans geprefereerd worden, echter niet tegen nog hogere prijs; de Zuiderburg moei naar Batavia varen, de andere drie schepen naar Malakka, van uxiar ze door de H Vaderlant Getrouw, Sandenburg en Huis te Duinen verder zullen geconvoyeerd worden; uit Malakka werden brieven ontvangen van 28 febr. tot 10 october; er kwamen geen schepen uit Manilla, omdat daar geen galjoen uit Mexico arriveerde, er voeren daarom ook geen schepen naar ManilUi, slechts ujerd 45 baal kaneel aan den burger-kapitein Bronker verkocht, 250 baal werd naar Malakka gezonden; Bolner stierf 15 juni te Batavia; slechts het yuxtdzakelijke mag te Malakka gerepareerd worden, u^aartoe materiaal uit Cheribon en ook 70 last rijst werd toegezonden, TUI die reparatie mogen de grachten pas worden uitgediept en dat alleen door eigen slaven).
Door seker aldaar aangekomen Armeniër, Johannes Isaaks genaamd, waren in volle zee gevonden en in syn bodem overgenomen 2 Engelsen, Elias Bels en Jan Caljer gen.*, welke, met een kleyn scheepje, de Elisaboth genaamt, uyt Bangale naar Oedjang Salang willende, omtrent de eylanden van Tanassery door een Engelse chaloep met 2 masten, de brigantijn, de Charles gen.' en bij rovers gevoert werdende, overweldigt en naar verdeeling der geroofde goederen en het afsenden
van gemelte scheepje d'Elisabeth naar Madegascar op het eyland Neris gesteld souden wesen, van waar, met een oud opgetimmert wrack sig in zee begeven heb- bende, 2 dagen daaraan door desen Armeniër waren ontmoet en soude gemelte roofvogels de stevens naar V.^° Farilha 1) gewent hebben om op de Chinas- en Manilhasvaarders te kruysaen. In julij pass.o was aldaar g'arriveert een Sourats Moors schip, toebehorende den bekenden Abdul Gaffoer en met een passé van den directeur Grootenhuys 2) in Souratta voorsien, met tijdingo dat de
------------------------------
1) Farilha, een bijvorm van Varella, ten rechte Berhala (= maleis: afgodsbeeld), een vrij veel voorkomende plaatsnaam; hier zal niet bedoeld zijn het eiland, genoemd dl. I, p. 597, noot 3, maar een eiland Berhala in de Zuid-Chinese Zee, bijv. dat ter oostkust van Malaya op 4P N.B. of bij Kaap Varella tor oostkust van Achter-Indië op I2J° N.B.
2) Johan Gro(o)tenhuy8 kwam 1683 als sergeant uit en werd in april 1691 als negotie- boekhouder te Batavia van onderkoopman koopman, 1698 te Makassar, juli 1699 opperkoop* man bij de expeditie naar Suraite, aug. 1700 secunde aldaar, sept. 1701 naar Batavia verlost, oct. 1703 socunde van Malakka en tijdelijk met het gezag aldaar belast, juni 1705 viaitateur- generaal, juli 1706 naar Suraite als direct«ur, waar hij de handel herstelde, nov. 1708 verlost.

BOOK VII
Van Swoll. Douglas,De Haan, Castelijn, Tolling, enz. IV,26 november1714

(Pagina 96)

Poeirie Jammelang 1), Koninginne der Manicaboërs. had twee gesanien na Jamby met een brieOe aan Zulthan Kiay Gedee gesonden, waarbij sij vee! betuyginge tot onderhouding van vriendschap dede, met versoek dat Sijn Hoogh.' den gebanne Pangerang Pringabaya niet weder in sijn land wilde admitteeren, maar verstoeten laten blijven, hetwelck geen qua- de saeck scheynt te weesen.
Ses a seven Johoorse vaartuygen hadden niet alleen omtrend de maand van maart d'in- woonders van Tonkal onder hare gehoorsaamheyt getragt te brengen en sig vijandelijk ge- opposeert tegen diegenen, die den Zulthan derwaarts had gesonden om dese saeck te stuy- ten en in der minne bij te leggen, maar ter contrarie sijn sij handgemeen geworden, wes- halven de pangeran-rijxbestierderls] goedgevonden hadden een besendinge na Johor te doen met minnelijck versoeck aan die Vorst, dat dese insolenie gasten met vriendschap van daar mogte gedimoveert werden en in cas van weygering tegen dese insolentiën en feyte- lijckheeden met de gevolgen van dien te protesteeren, onderlusschen had Sijn Hoogh.' aan den resident bekent gemaackt, dat hij de rivier van Tonckal woude laten sluyten, omdat daardoor veel peper geslooken en aan de Johoreesen verkogt wierd, maar dese trouweloose en roofsugtige natie hadden sig niet ontsien in de maand september passado met agt a ne- gentien vaartuygen een inval in de Jambyse rivier te doen, alles daaromtrent verwoestende, de negorije of dorpje aan de Qual Nior 2) verbrandende en d'inwoonders gevangen wegvoe- rende, ook hadden sij niet ontsien Comp."* pascedullen te violeeren en vier Javase vaartuy- gen. die in de Jambyse rivier lagen, met deselve pascen voorsien en aen haar verthoond, t'overrompelen en voor goede buyt meede te nemen na alvorens eenige manschap van die handelsvaartuygjes vermoort te hebben, met temeraire bedreyging daarenboven van de Comp. den oorlog te willen aandoen en eerst Malacca, als haar Coning toekomende, te sul- len wegnemen en selfs een tentamen op Batavia te willen doen met meer andere hoogmoe- dige swetserijen. Daarenboven soude Jang Dipertuan Moeda in persoon met sestig vaar- tuygen aan het eyland Poulo Farel 3) leggen om in het begin van haere pouassa 4) tot selfs boven in de rivier bij onse logie te koomen, heigeene den resident I. Panhuysen eenige be- kommeringh veroorsaekte. omdat in cas van attacque niet in staat soude sijn om Zulthan Kiay Gedee te helpen of met eenige manschap bij te springen, aangesien het geheele guar- nisoen in niet meer als 38 koppen bestond, waaronder maar 21 gemeene schildergasten wa- ren, en versogt den resident van ons. dat hem wat meerder manschap mogte gesonden wer- den, maar vermits het saysoen jegenwoordig niet toelaat de nodige remediën tegen dit ge- welt te gebruycken, soo sijn wij genoodsaeckt geweest de deliberatiën over dese saeck tot bequamer tijdt en gelegentheyt uyt te stellen.
In Comp." boeyen aldaar was overleden het gewese hooft van de rebellen [van] Man- gondjaja Radja Ibrahim. sijnde aan deselve niet verlooren als een onnut en dangereus kost- ganger van d'E. Comp., voor wiens heymelijcke largatie onder de hand door de Manica-
---------------------------
1) Pulri Djamilan was de gebruikelijke tilel voor de moeder van de Vorsten van Pagarujung en Suruaso; ze hadden groie Invloed en het recht met het buitenland te corresponderen, als ware ze Ko-
ningin van Minangkabau.
2) De Sungai Niur is de westelijkste deltamond van de Batanghari, eerst west noordwest, dan noordelijk stromend,van ongeveer TI5'tot T Z.B, en 104°6'tot 10T52'O,L,; kuala betekent rivier- mond.
3) Pulau Berhala, vgl. dl. I, p. 597. noot 3.
4) Puasa, de Moslimse vastenmaand.

BOOK VIII
Digitale versie statistieken van de Generale missiven van gouverneurs-generaal en raden aan heren XVII der Verenigde Oostindische Compagnie
Bewerkt door dr. J.E. Schooneveld-oosterlingDeel XI: 1743-1750
Vanlmhoff XX 31 december 1746
DJAMBI

(Page 385-386)
Op 8 maart is de sloep Ida Anna vandaar teruggekeerd na een tussenstop te Palem-
bang wegens zeenood. Het schip heeft 196 pikol peper, 162 reaal goud en een brief van resident Cornelis Godofridus de Virieu d.d. 3 december 1745 aangebracht, later gevolgd door brieven van 28 februari en 29 april 1746. Op 2 augustus heeft Batavia de Pallas via Palembang naar Djambi gestuurd met goederen, benodigdheden en 2000 nieuwe ronde Spaanse realen, samen t.w.v. f 17.069. Op 29 oktober heeft men via Palembang het antwoord gestuurd op de brieven van de resident. Het verwondert Batavia dat de Ida Anna voor ƒ 369 te Djambi is hersteld en al enkele dagen na vertrek vandaar wegens zeenood de rivier van Palembang moest aandoen om opnieuw hersteld te worden, en wel voor ƒ 286.
Kennelijk zijn de reparaties zeer slecht uitgevoerd. Dit mag niet meer voorkomen, evenmin als het meer declareren dan de kosten hebben bedragen. Batavia vraagt zich zelfs af of dergelijke kosten, of ze nu gemaakt worden of niet, soms niet gewoontegetrouw worden gedeclareerd.
Afgeschreven mogen worden de geschenken t.w.v. ƒ 84 in- en f 155 verkoopsprijs,) alsmede van hetgeene bij den generalen opneem onder uit. aug. 1745 is te kort gekomen ter montant van ƒ 171,11,8 onder eene remarque egter dat de gevalle minderheyt van 13i percento op de verkogte amphioen zowel als de laxatie op het ijser, staal en de spijkers tot 2 en 2\percento vrij wat excessief is, en dat in 't vervolg al wat boven de ordres werd opgebragt, den resident op reekening zal gesteld werden.
Fol. 236v-237r.
(Het tekort is in 1744/45 f 146 minder gestegen dan in 1743/44. De lasten zijn gedaald met f 1235 tot f 10.121, de winsten met f 1089 tot f 3480. De lasten hebben de winsten overtroffen met f 6640. De winst die men maakt op het goud, de peper en andere kleinigheden, en die al enkele jaren van gering belang is, weegt niet tegen de lasten op. Men moet de sultan bewegen tot meerpeperverbouw en levering van goud, en hem erop wijzen dat het voor de Compagnie niet de moeite waard is 'om op den tegenwoordigen voet daar te blijven huyshouden. Batavia is ontevreden over zijn gedrag. Hij staat smokkel in opium en andere verboden waar oogluikend toe, wat duidelijk blijkt uit de kwestie rond het bij Palembang behandelde smokkelschip, zijn bestuur is 'onordentelijk' en hij maakt inbreuk op de prerogatieven van de Compagnie. Batavia verwacht dat de sultan zijn wandaden zal staken als hij herinnerd wordt aan de weldaden die de Compagnie Djambi bewezen heeft. Hij zal dan ook stoppen met het bezoeken van de sultan van Palembang, onder voorwendsel een bedevaart naarPulau Berhala te maken. Ze hebben waarschijnlijk voornamelijk gesproken over de wijze waarop men het beste kan smokkelen in opium, peperen tin. Dit is in strijd met de contracten die Djambi en de Compagnie gesloten hebben. De vorst zal hierover onderhouden worden. De beslissing over het door resident Cornelis Godofridus de Virieu gevorderde schip wordt uitgesteld tot men vernomen heeft wat de sultan hierover te zeggen heeft.
De Virieu mag naar Batavia terugkeren. De tweede resident van Palembang, Job Plevier, volgt hem op. Hij wordt bevorderd tot koopman met ƒ 60 per maand. De Virieu moet de bezittingen van de Compagnie netjes overdragen en een memorie schrijven voor zijn opvolger.

BOOK
MIDDM-SUMATRA. REIZEN EN ONDERZOEKINGEN DER SUMATRA-EXPEDITIE, UITGERUST DOOR HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP, 1877-1879, BESCHEEVEN DOOE DE LEDEN DEB EXPEDITIE, ONDEK TOEZICHT VAN Prof. F. J. VETH. EERSTE DEEL. EEISVERHAAL. LEIDEN. — E. J. BRILL. 1882

— 215 —

TWAALFDE HOOFDSTUK.
LAATBTB OlTDBBZOEEINaBN W HET BBNESBK-BIVIBRQEBIBI}.

Wg zgn genaderd tot het laatste bedrgf der Expeditie, dat geheel aan het rivier-onderzoek gewgd was, waarom in het overige ran het Beisrerfaaal alleen de chef van het rivier-oudrazoek bet woord heeft.

De etaking van bet onderzoek in de Djambische tnnnenlanden gaf natnnrlgk gereede aanleiding om na te gaan, welke ;werkzaamheden ^snn in het beneden- riviergebied nog konden verricht worden, en daarbg viel in de eerste plaats de aandacht op een onderzoek van den Berba-mond en het eiland BerhaU, in verband met een mogelgken afvoer van de Ombilin-kolen langs de Batat^ Hari.

De Berba-mond toch is de breedste en kortste van de beide takken waarmede deze rivier zich in de Rionw-zee ontlast, en komt aldaar nit op een pnnt dat door eenige eilanden beechnt is, en zeer nabg den grooten vaartrek tnsschen Singapore en Batavia is gel^^. Het bezwaar dat de daarvoor liggende bank (die zich hier langs den geheelen Samatra-wal tot op mim een geographische mgl van de knst nitstrekt)
den toegai^ tot de rivier voor groote schepen afsluit, zon vervallen door de aan- weagheid van het <»rca rier geogr. mglen ten noordoosten ran den Berba-mond gelegen eiland Berhala of Tarella. Dit kan door diej^aande schepen zeer dicht genaderd worden, en zon dns als eindstation voor een kolentransport naar de Oost- kust in aanmerking kunnen komen, indien er eene beschutte ankerplaats en een
geschikt strand gevonden werden.

VeiligheidshalTe kwam ik met Niesen overeen om den tocht in gezelschap van de te Moeara Eompeh gestatioimeerde krnisboot te maken, waarmede hg voorne- mens was thans de Berba- en Sadoe-mondingen te bezoeken, met het oog op moge- l^eu smokkelhandel aan die zgtakken, en die hg vervolgens gaarne op den over- tocht naar Berhala te mgner beschikking wilde stellen. Ingeval van averg aan de

— 216 —

HUHshine zon dan de kmisbooi de b&rkas kmmen helpen, terw^ deze bg windstitte het zeilraaitnig op sleeptouw nemen kon.

AlTorenB echter deze reis te aanvaardea, bracht ik den 25^°° Angnstus, rer- gezeld door Makkink en Sn^dewint, nt^pnaals een bezoek aan de Hindoe-ondheden in de kampong Solok, en maakten w^ bg die gelegenheid eenige schetaen van de minat beschadigde dezer ateenen. Daar de beer Yeth later photographische afbeel- dingen Tan deze oadheden genomen heeft, die in het Album der Expeditie te Tinden zgni), en deze beter dan eene dorre beschrgTing Terdnidelgken, zoo dient er hier alleen nc^ Tan gez^ te worden, dat de steenen zeer groote gelgkenis be- zitten met die, welke aan den voet Tan den beroemden tempel Boro-Boedoer op Midden-JaTa Toorkomen.

Den 27**^ Angostne Tertrokken wg met de stoombarkas riTier-afwaarts, en bereikten dienzelfden avond nog Moeara Kompeb, alwaar het Taartoigje aan het kolenhoofd werd rastgemeerd , terwgl 's anderen daags zoowel de barkas als de kolenpnnw Tan de noodige hoeveelheid steenkolen voorzien ward. Den 29'Wn 'a morgens zetten wg den tocht Toort en la^>ffen we, nabg de kleine doeeoen Sim- pang, dicht b^ de spliteing der rivier gelegen, de kmisboot aan, die op sleeptouw genomen werd en waarmede we nn den Berbar-tak verder a&toomden.

Omfitreeks den middag ankerden we hier bg de aan den linkeroever gelegen kampong Koeboer Tjina, het sago-planteoen van Pangéran Wiro Koesoemo, dat BOg ongeveer een half uur stoomens van de oitmonding verwgderd is. De Pangéran, die in den laataten tgd meestal daar zgn verblgf hield, berond zich er ook na, en kwam ons spoedig een bezoek aan boord brengen. Wg deelden hem het plan mede om een kgkje op Poelau Varella te gaan nemen, «o namen zgn aanbod om ons 2^n penghoeloe doeeoen mede te geven , die den naam heeft met alle waterwegen in deze buurt goed bekend te zgn, dankbaar aan. In den namiddag deden we na nog een tochtje naar het eiland Berba, dat we trachtten rond te stoomen, doch waarbg we zoowel aan de ooei- als aan de westzgde op de bank stuitten die het geheel omgeeft, en waarin geene bepaalde geul te vinden is. Wel zou, daar het vemJ ruim 2 meters bedraagt, de barkas met het hoogste water er overheen naar zee kannen komen, doch de korte dnor Tan dezen hoeden stand zon alsdan het weder binnenkomen beletten.

Dee avonds nabg de kmisboot tem^ekeerd zgnde, brachten we hier den nacht door, en gingen den anderen morgen weder vro^tgdig onder stoom. Het zeilvaai^ tuig werd ook du weder op sleeptouw genomen, en na nog een kort eind rivier^ afwaarts te zgn gegaan, liepen wg den rechterzgarm, Sadoe, in, die de oostelgkate nitmtmding der Djambi-riTier vormt. De Sadoe, die wg nn tevens opnamen, is in

)) Zie boten biz. 803.

— 217 —

het eerato gedeelte, alwaar ook nog eene kleine s^o-aanplanting met een paar hoiqee aangetroffen wordt, zeer nanw (15 a 20, soms slechts 12 metem) en geheel met nipah begroeid, die liier en daar zooTer buiten de oevers uitsteekt, dat w^ ze dikw^Is kappen moesten om ons een doortocht te banen. Gelukkig zgn die nipah- takken zeer buigzaam, andeiB ware het niet mc^el^k zonder arerg er tnsschendoor te komen. Z)e diepte yau het rivier^e is groot (6 li 8 meters en meer) es in de laatste helft, na de vereeniging met bet rechterzgtakje Djelita, dat oït de rawang komt, wordt de breedte geetadigaan grooter, tot een 25 ^ 30 meters.

Te elf uren lieten w^ de 'kmiaboot in de monding der Sadoe los en beproef- den, daar er iotnaachen een fiksche bries uit het zuidoosten was dooi^ekomen, om ieder op zich zelf door de geul, die met een paar stokken eenigszins a%ebakend is, naar buiten te komen. Ket duurde echter nog tot twee uren Toordat het water voldoende gewassen was om ons den doortocht te rei^unnen, waarna we, de straat van Berhala dwars oveistekeude, koers stelden naar het eiland Tan dien naam. Kadat wg tnsschen een paar kHppen, op korten afstand ran het eiland gelegen, waren doorgestoomd, zonder er in te slagen tusacben deze en de znidkuat eene geschikte ligplaats te vinden, merkten wg aan de zuidwestzyde een klein plekje zandstrand op, alwaar we, even als de kmisboot, in groote diepte ten anker gingen.
De zoidoostenwind, dia in den nacht krachtig doorstond, veroorzaakte hier vrg zware deining, waarvoor we maar ten deele beschat Is^n, zoodat beide vaartuigjes geweldig schommelden en er dan ook van slapen weinig inkwam.

Den volgenden morgen hoopten we, langs de kost van het eiland stoomende, eene betere ankerplaats te vinden, doch werden hierin teleurgesteld, daar het ons bleek dat aan de noord* en oostzgde overal riffen lagen, waarop zware branding stond, en alleen aan de westiïgde eene geheel open ligplaats, niet te ver van het sixand, was te vinden; de grond was echter ook hier steenachtig en zeer ongelgk van diepte. Berhala bleek te bestaan uit een paar grootere en een aantal kleine klippige eilandjes, door vele steenen omgeven; het is niet bewoond en wordt alleen nu en dan door viascfaers bezocht. De grootere eQandjes zgn hoog en b^roeid; men kan daartosschen met kleine vaartuigen wel doordringen, doch vindt ia de doorgangen evenmin goeden ankeigrond.

Nadat de barkas nog eveU op dea steenachtigen bodem aan den grond was geraakt, doch gelukkig ^loedig weer losgekomen, keerden wij naar de Sadoe- monding terog. De kmisboot trachtte denzelfden weg te nemen, doch werd door den westelgken stFOoni en de deining verhinderd om die monding te bezeilen, en moest daarom naar de Nioer afhooden. Binnen de Sadoe, waar we dien nacht blevm liggen, werd de kolenprauw, die hier achtergelaten was, weder opgenomen, en met haar stoomdem wg den volgmden moi^n langs dien zgtak terug naar da Beri». 6g deze gelegenheid voeren we het takje Djelita zoo boog mogd^ op; wg bevon-

BOOK IX
Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, Number 4, 1 January 1896
Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië:
Lith, Pieter Anthonie van der
Nijhoff, 1 January 1896
EILAND BERHALA
(Page 180)
BERHALA. Eiland op ongeveer 4 geogr. mijlen ten n. o. van de Kwala Berha (de oostelijkste hoofdmonding van de Djambi-rivier), en op ongeveer gelijken afstand z. van Singkep gelegen. Volgens de Djambiërs zou dat eiland de bakermat van hun vorstengeslacht zijn.
(Page 453)
JAMBI Landschap, behoorende tot de residentie Palembang, inzooverre nl. dat de resident „toezicht houdt op de zaken van het rijk Djambi, waarvan het bestuur onder het oppergezag der Nederlandsche Regeering is overgelaten aan den inlandschen vorst". Het bestaat uit twee deden: I°. het Gouvernementsgebied, dat is het terrein van onze vestigingen, en 2°. het „leenrijk van Djambi en Onderhoorigheden". Het behoort tot de minst bekende gedeelten van hel eiland Sumatra. De Sumatra-expeditie, in 1877 —1878 door het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap uitgezonden, heeft voor 't eerst zekere berichten omtrent de binnenlanden van Djambi kunnen verstrekken, doch daar haar onderzoek zich bijna uitsluitend heeft moeten bepalen tot de groote rivieren, is nog veel in 't duister gebleven. liet landschap is gelegen aan de oostkust van Midden-Sumatra. De grenzen, die aan de landzijde niet overal nauwkeurig kunnen worden aangewezen, zijn: ten n. de landschappen, bekend onder den naam Rantau di liaroeh of Batang Hari-districten, de afdeeling Indragiri van de residentie Riouw, en de licrhalastraat, die de noordkust scheidt van het eiland Berhala; ten oosten de zee van Borneo en de res. Palembang; ten zuiden dezelfde res.; ten westen de onafhankelijke landschappen Soengei Tenang, Serampei en Korintji. Het tegenover de Koewala Berba gelegen eilandje Berba, en het iets noordelijker gelegen Berhaïa (volgens de legenden de bakermat van het Djambische vorstengeslacht) behooren ook tot Djambi. De oppervlakte wordt geschat op 883 □ g- m. (met inbegrip van de aan Bovcn-Djambi grenzende onafhankelijke of nog niet regelmatig onder ons beheer gebrachte streken) en de bevolking op 76.000 zielen. De kustlijn is weinig ontwikkeld. De eenige insnijdingen zijn die, gevormd door de breede uitmonding van de Soengei Tongkal, en de twee voornaamste uitmondingen van de Djambi-rivier. Het rijk wordt bijna geheel ingenomen doorliet stroomgebied van de Batang Hari en de Soengei Tongkal. Het is dus vlak land, dat van de kust uiterst langzaam oploopt, tot diep het land in moerassig, en in de bovenlanden hier en daar afgewisseld door heuvels, die zich niet hooger dan 20 a 30 M. verheffen. Van west naar oost gaande vindt men de volgende rivieren: de Soengei Tongkal met twee linkerzijrivieren, de Soengei Asem en de Soengei Roemahan, en één rechterzijrivier de Soengei Itam; tot waar zij de Roemahan opneemt, is de S. Tongkal opgevaren door het gouvernementsstoomschip Boni; de S. l'.atara, de S. Mandahara en verder oostelijk de Koewala Nioer en de Koewala Berba, de twee voornaamste uitmondingen van de Batang Hari of rivier van Djambi (Zie BATANG HARI). De plaatsen, die melding verdienen, zijn vooreerst onze posten: i°. De hoofdplaats Djambi aan den rechteroever van de B. Hari, even vóór zij de S. Kompeh opneemt, waar een bezetting ligt onder een kapitein-commandant, en waar de politieke agent is gevestigd. De bevolking bedroeg (tijdens de Sumatra-expeditie) 264 inlanders. In het daartegenover liggende Pctjinan, eigenlijk een bank, die bij lagen waterstand droogvalt, wonen 80 Chineezen onder een luitenant. 2°. Moew ar a Kom pc h aan de S. Kompeh, waar deze zich weer met de Djambi-rivier vereenigt, de standplaats van den ontvanger der in- en uitvoerrechten, met een bevolking van 130 inlanders en 5 Chineezen. Er is ook een gouvernementskolenstation. 3 0 . Moewara Saba aan de K. Nioer, waar een opziener van de in- en uitvoerrechten, is gevestigd. Bevolking 1 90 inlanders en 39 Chineezen. De grenzen van de vestigingen Djambi en Saba zijn vastgesteld bij Staatsblad 1888 n°. 159. 4 0 . Moewara Simpang of Berba aan de K. Bcrba. 5 0 . Moewara Tongkal aan de Tongkal, waar ook een opziener van de in- en uitvoerrechten is gevestigd. Verder zijn nog van belang Telok Tengah, een halven dag stoomens boven Djambi, waar de Sultan woont; Telok Poea nabij de uitmonding van de Tabir in de B. Hari, waar de kroonprins woont, en Telok Rendah, nabij de uitmonding van de Ketalo in de B. Hari, de woonplaats van Sultan Taha (zie beneden). Gesciiik.dk.ms. Volgens de oudste berichten was Djambi een leenrijk van Madjapahit, ontstaan uit Javaansche volkplantingen, over Palembang daar gekomen. Later moet het de suprematie van het rijk van Menangkabau hebben erkend. Vooral met het doel om zich in den handel meer onafhankelijk te maken van Bantam, richtte de 0.-I. C. in 1616 te Djambi een kantoor op, dat zij tot 1696 onafgebroken handhaafde, en dat belangrijk was om den handel in peper en verschillende boschproducten. In 1643 werd het eerste contract met den Vorst gesloten; in 1687 kon de 0.-I. C. hem aan zich verplichten door op zijn verzoek om hulp een aanval van den Radja van Djohor en den Sultan van Palembang af te wenden. Niet altijd echter was de verhouding zoo vriendschappelijk; dat blijkt o. a. uit den moord op het hoofd der factory in 1690. De toenmalige vorst Ingalaga, de eerste, die den Sultanstitel voerde, werd gevangen genomen en zijn zoon Kjai Gedé op den troon geplaatst. Onder Kjai Gedé's opvolger in 1696 werd de verhouding met de 0.-I. C. ZÓÓ gespannen, dat het kantoor werd opgebroken. In 1707 gaf de Sultan blijk de relaties weer te willen aanknoopen door een gezantschap aan den G.-G.; het kantoor werd hersteld en te Moewara Kompeh een sterkte opgericht. Deze sterkte werd in 1724, vermoedelijk tengevolge van een opstand tegen de Nederlanders, weer verlaten. Voorzoover bekend is, kwamen zij er niet vóór 1833 terug. Omtrent hetgeen tusschen 1724 en 1833 gebeurd is in Djambi ontbreken ons stellige berichten. De macht van de Sultans schijnt vooral verzwakt te zijn onder Mahmocd Mahoedin, die ± 1812 aan de regeering kwam. Het gezag was feitelijk in handen van diens vrouw, die door haar wreed en tiranniek bestuur de bevolking tot opstand dreef. De Sultan moest uit de hoofdplaats vluchten, en alleen met hulp van zijn broeder, die in de bovenlanden veel invloed had, kreeg hij het gezag weer in handen. Zijn opvolger Mohammed Eacharoedin vroeg in 1833 den Nederlanders hulp tegen zeeroovers, die zich van den mond der Djambi-rivier hadden meester gemaakt. Die hulp werd verleend en de zeeroovers door onze marine verdreven. In 't

(Page 454)
zelfde jaar echter deed de Sultan met eenige uitgeweken Palcmbangsche grooten een inval in het Palembangsche district Rawas. De G.-G. Van den Bosch greep deze gelegenheid aan om ons gezag op Sumatra uit te breiden, en zond een expeditie om de onruststokers te verjagen. Dat gelukte; en in 1833 en 1834 sloot Michiels contracten met Facharoedin, waarbij deze onze souvereinitcit erkende, heffing van in- en uitvoerrechten en invoering van zoutmonopolie toestond, een en ander tegen vergoeding van een jaargeld van ƒBOOO. — aan Sultan en kroonprins samen uit te keeren. Te Moewara Kompeh werd weer een versterking gebouwd met een Europeesch gezaghebber en te Saba werd een inlandsch posthouder gevestigd. Daar Engeland bezwaar maakte tegen de uitbreiding op Sumatra's Oostkust, werd in 1841 gelast de vestigingen benoorden Palembang in te trekken. De Indische Regeering gaf aan dien last voor Moewara Kompch geen gevolg, op verzoek van den toenmaligén Sultan Nazar Ocdin. Deze toch zocht steun bij de Nederlanders tegen zijn neef Raden Tabong, die in de bovenlanden grooten invloed had. Toen in 1855 Nazaroedin werd opgevolgd door Taha Safi Oedin , verlangde de Regeering vernieuwing van het contract. De nieuwe Sultan was daartoe niet gezind, en liet den resident van Palembang tot twee keer onverrichter zake terugkeeren. Er werd toen (1858) een expeditie gezonden van 600 man troepen en 4 oorlogsstoomers onder Lange en Courier dit Dubekart. Na een hevig gevecht werd de kraton genomen, en de Sultan vluchtte naar het binnenland. Zijn oom Alimad Nazaroedin werd tot Sultan aangesteld, en met dezen en den kroonprins werd een nieuw contract gesloten, waarbij nog eens uitdrukkelijk gestipuleerd werd, dat Djambi deel uitmaakt van Nederlandsch-Indië en aan den Sultan in leen gegeven wordt. Een nieuwe en belangrijke bepaling was, dat ter hoofdplaats Djambi een ambtenaar of officier (politiek agent) zou geplaatst worden onder de bevelen van den resident van Palembang, om te waken voor de nakoming van het contract en „den Sultan als raadgever en leidsman terzijde te staan." Voor de eerste maal werd met die functie belast de kapitein-commandant van de compagnie infanterie, die nu te Djambi werd gelegerd. Eenige jaren lang vernam men nu niets van rustverstoring in Djambi. In 1868 werd dan ook de bezetting van Moewara Kompch ingetrokken en die van Djambi verminderd. In 1875 w-erd de betrekking van politiek agent aan een controleur opgedragen. De oude Sultan Taha had echter in de bovenlanden nog de macht in handen, en belemmerde den uitvoer naar de benedenlanden. Het was vooral in 1877 —78, toen de Sumatra-expeditie de onrustige elementen wakker maakte, dat die invloed van Taha bleek. De moeilijkheden, die de expeditie ondervond, en die zóó ernstig werden, dat Van Hasselt en Veth het Djambisch gebied moesten ontvluchten, gingen uit van Taha en zijn aanhangers. Het garnizoen van Djambi werd dan ook in 1879 weer versterkt. Sultan Fazaroedin overleed in 1881 en werd opgevolgd door Mohammed Mahiloedin, terwijl een broer van Taha kroonprins werd. De nieuwe Sultan sloot in 1882 een nieuw contract, dat in hoofdzaak gelijk was aan het contract van 1858. De vergoedingen aan Sultan en kroonprins uit te keeren bedragen ƒ 12000. — 's jaars voor de men uitvoerrechten en / 4000. — voor het opiummonopolie, dat in 1880 werd ingevoerd. De Sultan mag buiten de hoofdplaats wonen, doch moet éénmaal in de 3 maanden ter hoofdplaats komen om de belangen van zijn rijk met den politicken agent te bespreken. In April 1885 overleed Sultan Mahiloedin. Daar de kroonprins niet geneigd was om het Sultanaat te aanvaarden, werd het bestuur voorloopig aan een commissie opgedragen. Onder dit voorloopig bestuur was het in Djambi alles behalve rustig. In Mei werden 3 Europeanen in de Sociëteit te Djambi door 2 hadjies overvallen; één, de officier van gezondheid gedood, één officier en één ambtenaar ernstig gewond, de officier doodelijk. Er was militair vertoon noodig 0111 de daders uitgeleverd te krijgen. In October van 't zelfde jaar deed een gewapende bende een aanval op onze versterking, die gelukkig werd afgeslagen. Een gewapende kruisboot te Moewara Saba werd overrompeld, en niet dan na een hevig gevecht heroverd. Of en in hoeverre Taha dan wel de kroonprins in een en ander tic hand had, bleef voorloopig onverklaard. In Juli 1886 echter kwam de laatste uit eigen beweging ter hoofdplaats, en een conferentie met den resident en de rijksgrooten had tengevolge, dat hij het Sultanaat aanvaardde als Sultan Ahmad Dzaïnocdin, terwijl een zevenjarige zoon van Taha kroonprins werd. In 1888 sloot hij een nieuw contract, gelijkluidend met dat van 1882. De koloniale verslagen van 1888 en volgende jaren spreken van een steeds goede verhouding tot den Sultan; van vermeerdering van zijn invloed, en zelfs van blijken van goede gezindheid, door Taha betoond. Staat dan het feil, dat op 7 April 1895 plaats had, geheel op zichzelf? Of is het een waarschuwing om de zaken in Djambi nog niet al te zeer te vertrouwen ? Dat is nog niet opgehelderd. Op dien dag nl. kwam een gewapend Djambiër onder 't roepen van den heiligen oorlogskrect het erf van den postcommandant binnenloopen, verwondde dien commandant ernstig, terwijl de mede daar aanwezige controleur een lichte kwetsuur bekwam. De dader bezweek aan de wonden, die hem in de worsteling waren toegebracht. BESTUUR. Ofschoon altijd gesproken wordt van het rijk en den Sultan van Djambi, zijn er eigenlijk al sinds 1858 twee Sultans: de door de Indische Regeering aangestelde, en de in dat jaar gevluchte Sultan Taha, die ieder hun eigen gebied hebben; terwijl de pangéran ratoe, troonopvolger en rijksbestuurder tevens, ook in een deel van het rijk zelfstandig gezag uitoefent. Beide Sultans worden in het bestuur bijgestaan door een raad van rijksgrooten. „Gebied hebben" en „gezag uitoefenen" is echter ook wel wat veel gezegd. Buiten hun naaste omgeving is de invloed der Sultans zeer gering; de plaatselijke hoofden hebben daar de macht in handen. De Sultans worden met veel eerbewijzen ontvangen, maar aan hun bevelen stoort men zich niet erg. In de streek langs den benedenloop der Batang Flari schijnen geen tusschenpersoncn te zijn tusschen de Sultans en de hoofden der dorpen of doesoens. Deze hoofden heeten panghoeloe doe-

(Page 455)
soen; hun helper en plaatsvervanger pemangkoc doesoen. Het gedeelte van Djambi, dat langs de Tembesi en haar zijtakken is gelegen, bestaat uit verschillende landschappen, die meestal den naam dragen van de rivieren, die er door loopen, zooals Limoen, Batang Asei, Marangin en andere. Daar staat aan het hoofd van het bestuur een vertegenwoordiger van één der beide Sultans, ook weer bijgestaan door een raad, die vaak meer te zeggen heeft dan de vertegenwoordiger zelf. Daaronder staan dan de doensoenhoofden. Zooals hiervoor reeds is vermeld, staat den door de regeering aangestelden Sultan een politiek agent als „raadgever en leidsman" ter zijde. BEVOLKING. Het is niet zeker, of wij in de Koeboestamnicn, die in Palembang en Djambi hier en daar verspreid wonen, de oorspronkelijke bevolking van deze streken moeten zien. Van de echte Koeboes, die een zwervend leven leiden, is weinig bekend, daar zij de aanraking met Europeanen vermijden. Sommige groepen echter hebben vaste woonplaatsen gekozen en nemen langzamerhand taal, zeden en gewoonten, en ook den godsdienst (Islam) van de omliggende doesoens over. De dorpen, in wier gebied zij zich gevestigd hebben, verplichten de Koeboes om de boschproducten tegen lagen prijs aan hen af te staan. Voor dien ruilhandel is één persoon, djenang genaamd, door de doesoengenooten aangewezen. Behalve deze Koeboes, wier reeds gering aantal nog steeds afneemt, bestaat de bevolking van 1 ijainhi uit kolonisten. De bewoners der benedenlandcn zijn van min of meer zuivere Javaansche afkomst. In Limoen, Batang Asei, Marangin en Pangkalan Djamboe wonen Menangkabausche Maleiers, daar gekomen van de Padangsehe Bovenlanden; terwijl de streek van de Tembesi-rivier bevolkt is van uit Rawas onder Palembang. Van zeden en gebruiken, die de bevolking van Djambi onderscheiden van hun stamgenootcn, is niets bekend. Hier zij dus alleen aangeteekend, dat zij allen Mohammedanen zijn, in de bovenlanden Menangkabausch Maleisch spreken; in de benedenlandcn dezelfde taal, sterk met Javaansch vermengd. Wat het grondbezit aangaat: in de streken, die direct onder het Sultansbcstuur staan, heeft elke doesoen de beschikking over een aangewezen gedeelte van den onbebouwden grond. De rest is kroondomcin. In het Menangkabausch gedeelte zal het vermoedelijk volgens de Menangkabausche instellingen geregeld zijn. De grond is zeer vruchtbaar; het voornaamste gewas is de rijst, die zoo goed als uitsluitend op droge velden, ladangs, wordt geteeld. Verder in de bovenlanden gambir en in de omstreken van Djambi een weinig tabak, die van zeer goede kwaliteit moet zijn, en waarvan de cultuur toeneemt. De pepercultuur, die de O. 1. C. naar Djambi lokte, is geheel tenietgegaan. Een ander zeer belangrijk middel van bestaan is de inzameling van boschproducten, als: harsen, waaronder vooral benzoë, was, honig, rotan, getah pertja enz. In een waterrijk land als Djambi is ook de vischvangst van groote beteekenis, zoowel in de rivieren als aan de zeekust. Daar zoo goed als alle rivieren van MiddenSumatra stofgoud meevoeren, wordt ook in Djambi, en wel door vrouwen, het goudwasschen beoefend. De veeteelt mag al geen middel van be staan genoemd kunnen worden, toch vindt men hier en daar vrij groote kudden vee in het bezit van één persoon. Het zijn karbouwen en koeien; paarden komen zeer weinig voor. De uitvoer aan huiden bedroeg in 1878 rfc ƒ 12.000. De handel is nog al van belang. In 1878 bedroeg in Moewara Kompch de invoer ƒ265.000, de uitvoer ƒ182.000. Ilct transport heeft bijna uitsluitend met prauwen plaats. In het maken dier vaartuigen zijn de Djambiërs nog zeer achterlijk. Bronnen: De inleiding (door P. J. Veth) van: De vestiging en uitbreiding der Nederlanders ter Westkust van Sumatra door Ridder de Stuers: Midden-Sumatra. Reizen en Onderzoekingen der Sumatra-Expeditie; E. de Waal. Onze Indische Financiën, Deel VII ; De opkomst van het Nederl. gezag in O. I. door P. A. Tiele, 2«h> en 3de deel door Mr. J. E. Heeres. (J- E. B.) DJAMBI. Zetel van den in het rijk van dien naam geplaatsten politieken agent, vertegenwoordiger van den resident van Palembang bij den Sultan, gewoonlijk een controleur ie klasse bij het Binnenlandsch Bestuur. De plaats is aan beide oevers der Djambi-rivier gelegen, aan welker rechteroever de Europeesche nederzetting zich uitstrekt, uit een tiental woningen bestaande, op een eenigszins hooggelegen terrein opgetrokken in de buurt der benting en van de vroegere sociëteit, die na den moord in 1885 in een versterkt huis veranderd is. Een tweetal inlandsche kampongs liggen op denzelfden oever; bij een der laatsten, Solok geheeten, vindt men Hindoesche oudheden. Aan de overzijde van de hier ongeveer 300 111. breede rivier is een groote inlandsche 'kampong opgetrokken. De woningen der inlanders zijn of op palen gebouwd of vlothuizen. De strook grond, waarop de hoofdplaats ligt, heet Tanah Pileh. Zie Cocnen in Eigen Haard 1886.

BOOK X

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, Number 4, 1 January 1896

G. POELAU BERHALA, BHARALA dan BATARA

(Page 370) Voorts nog: „Le roi du Zabedj [= Midden- -f Zuid-Sumatra] est nommé le Maharadj" (bl. 48). Wij hebben hier dus den Maharadja van Pa-lembang-Djambi. Maar ook nog, onmiddellijk volgend: „il y a dans ses états une He nommée Bratail qui chaque nuit retentit du son des instruments a corde et des tambours. Les navigateurs pretendent que I'antéchrist y demeurc". M. i. behoeft men niet te twijfelen, of hier wordt Poelau Berhala, in Straat Berhala, tusschen Singkep en Djambi bedoeld, waarvan de eigen naam, Mal. berhala = Skr. bharala, batara = „Hindoegod, afgodsbeeld", aanduidt, dat daar Hindoe-zee-vaarders vanouds een „zeetempel" gesticht hadden, tot afsmeeking van gelukkige vaart; welk bedrijf door Arab. zeevaarders dan weer opgevat kon worden, zooals Ibn Chord. vertelt. Ook zegt hij nog: „Le Maharadj percoit chaque jour vn revenu de deux cents mann [= Lat. mi nae; van 100 denarii of drachmen elk] dor; il fait fondre eet argent en une seule brique et la jette dans I'eau en disant: voila mon trésor. Une partie de ce revenu, soit cinquante mann par jour, lui vient des combats de coq" (ib.). Hier hebben wij dus op Midden-Sumatra in + 800 de typische hanengevechten, en het (inheemsche) goud als munt.

BOOK XI
Tijdschrift voor het binnenlandsch bestuur, Volume 1, Number 43, 1 January 1912 BEKNOPTE NOTA OVER DE AFDEELING DJAMBI (Naar offieiëele bronnen en met veler medewerking bewerkt en samengesteld DOOK W. H. Keuchenius, (Controleur van Djambi)
STRAAT BERHALA dan EILANDENGROEP BERHALA

I. Historisch Overzicht.
In 1833 werd als straf voor de herhaalde invallen der Djambiërs in Palembang, een bezetting gelegd te Moeara Koempih en werden daar rechten geheven ten bate van het Neder-landsch-Indische gouvernement. In 1834 werd met den sultan van Djambi een contract gesloten waarbij o.m. erkend werd dat het land deel uitmaakt van Nederlandsch-Indië. De in 1855 opgetreden sultan Taha echter weigerde de Nederlandsche suzereiniteit te erkennen, wat in 1858 aanleiding gaf tot het zenden eener militaire expeditie naar Djambi. Sinds dien tijd dateert onze vestiging op de tegenwoordige hoofdplaats. Taha was met de zijnen naar de bovenlanden gevlucht en bleef daar tot 1904 het feitelijk gezag uitoefenen, niettegenstaande hij van zijne waardigheid vervallen verklaard en in zijn plaats een ander tot sultan benoemd was. De laatste sultan abdiceerde in 1891. Sedert dien is het gouvernement van Nederlandsch-Indië in de sultanswaardigheid getreden en legde men de eerste hand aan de hervorming en verbetering der binnenlandsche toestanden. Tegen den Pretendent-Sultan Taha in de bovenlanden werd meer actief en krachtiger opgetreden, terwijl in de benedenlanden met vele gezagvoerende, in den sultanstijd aangestelde apanagehouders directe aanrakingen onderhouden werden.
In 1906 was men met het pacificatiewerk zoo ver gevorderd dat Djambi tot een zelfstandig gewest kon worden verheven.
De leiders van het politiek verzet tegen het Gouvernement werden verbannen en de overige vorstenafstammelingen ter hoofdplaats Djambi geïnterneerd.
Page 240
11. Ligging en grootte,
De afdeeling Djambi is gelegen tusschen 0° 47' en 1° 39' Z. B. en tusschen 103° 20' en 104° 30' O. L. van Greenwich. De oppervlakte bedraagt p. m.300n g e °g r - mijlen. In het noorden wordt ze begrensd door de landschappen Reteh en Indragiri der residentie Riouw en Onderhoorigheden. In het westen door de afdeelingen Moeara Tembesi en Moeara Tebo. In het oosten door straat Berhala.
111. Vorm en gesteldheid van het teukein.
De twee groote rivieren Batang Hari en Toengkal, die de afdeeling doorsnijden en de vele kleinere stroomen, die direct in zee uitwateren treden in haren benedenloop veelvuldig buiten hare oevers en vormen daar tot diep landwaarts in, uitgestrekte moerassen. Het lage, schaars bevolkte kustgebied tusschen Toengkal en Batang Hari, bekend onder den algemeenen naam van PajahLebar, kan men zich aan de westzijde begrensd denken door een rechte lijn loopende over Kwala Loemahan aan de Toengkal en de hoofdplaats Djambi. Eerst ten westen van deze lijn wordt het terrein langzamerhand hooger. Toch worden de oevers van de Batang Hari bij hoogen bandjir nog 3 a 6 K. M. landwaarts in, overstroomd en onbegaanbaar gemaakt. Slechts hier en daar strekt het hooge, bandjirvrije terrein zich tot aan de rivier uit.
241

IV. Geologische Beschrijving. *)
A. Morfologisch en geologisch overzicht over de geheele Residentie Djambi.
1. Morfologie. Ongeveer de helft der oppervlakte der Residentie Djambi is bergland, de andere helft bestaat uit heuvelland en laagland. a. In het bergland kunnen drie gebergten onderscheiden worden, n. 1. het Barissangebergte, het Tigapoeloegebergte en het Doeablasgebergte. Zooals bekend is, strekt zich het Barissangebergte over de geheele lengteas van Sumatra uit. Van dit gebergte valt het betrekkelijk kleine, tusschen 1° en 3° zuid. gelegen segment op Djambisch gebied. Het Tigapoeloegebergte en het Doeablasgebergte zijn als uitloopers van het Barissangebergte te beschouwen. Het Tigapoeloegebergte strekt zich als zoodanig uit tusschen de rivieren Kwantan en Batang-Hari en vormt de grens tusschen de Kwantan-Indragirilanden en Djambi. Het grootere gedeelte ligt echter op Djambisch territorium. Het Doeablasgebergte bevindt zich ongeveer in het midden der Residentie, tusschen de rivieren Batang-Hari en Merangin. Het Barissangebergte verloopt in den vorm van een ca. 100 K. M. breede strook in NNW — ZZO richting door het Westelijk gedeelte der Residentie. De gemiddelde kamhoogte bedraagt ca. 2000 M. De in dit gebergte zich verheffende vulkaantoppen bereiken echter eene grootere hoogte. Genoemd kunnen worden: de Patah Sembilan, de Piek van Indrapoera en Goenoeng Toedjoeh in het noorden; Goenoeng Raja en Goenoeng Sebanban in het midden en de Boekit Soembing, Boekit Mesoerai en Boekit Toenkat in het zuiden. Van deze vulkaanbergen zijn werkzaam, de Piek van Indrapoera (3806 M., de hoogste bergtop van Sumatra) en de Boekit Soembing (2400 M.). Het Tigapoeloegebergte en het
1) Door den tijdelijk Geoloog bij het Mijnwezen Dr. Aug. Tobler (met schetskaartje 1 : 1000.000.)
242

Doeablasgebergte, waar jongvulkanische vormingen ontbreken, bereiken waarschijnlijk nergens eene grootere hoogte dan 000 M.
b. Het heuvelland is te beschouwen als annex aan het Tigapoeloegebergte en het Doeablasgebergte. Buiten beschouwing gelaten de diluviale en alluviale vlakten der groote rivieren, die den samenhang van het heuvelland onderbreken, verschijnt dit als continue voortzetting der genoemde gebergten. Met behulp van geologische gegevens kan de grens tusschen bergland en heuvelland zeer scherp aangegeven worden.
c. Het laagland verschijnt in den vorm van eene breede strook langs de oostkust. Deze strook is nog weinig onderzocht. Midden in dit vlakgebied verheft zich eilandachtig een heuvelterrein, gelegen in het brongebied der Sabarivier. Onmogelijk is het niet, dat bij nader onderzoek nog andere heuvelterreinen in de kuststrook aangetroffen zullen worden.
d. In staatkundig opzicht heeft tot Djambi behoord de kleine eilandengroep Berhala. Morfologisch echter behoort de groep tot de Melakka-Bangka strook.
2. Geologie
a. De drie gebergten: Barrissan-, Tigapoeloe- en Doeablasgebergte komen in geologisch opzicht in zooverre overeen, dat zij hoofdzakelijk gevormd zijn door intens gevouwen „oude" leien, met vele graniet- en dioriet-intrusies. De leien met de geïntercaleerde zandsteen en kwartsietlagen behooren zeer waarschijnlijk tot de mesozoïsche formaties en zijn aan het contact met graniet gemetamorfoseerd. Het graniet moet dus van betrekkelijk geringen ouderdom zijn (vermoedelijk jongeretaceïsch).
Slechts in het oostelijk gedeelte van het Barissangebergte werden afwijkende verhoudingen aangetroffen. Diuir overheerschen carbonische sedimenten, kalksteen, zandsteen en conglomeraten, die niet, of slechts weinig gevouwen zijn. Zeldzame eruptiefgesteenen, porfieren en keratofieren doorbreken deze carbonische sedimenten. Interessant is verder het voorkomen van pecopteris bladeren in het carbon.
243

b. Het heuvelland wordt gevormd door jongtertiaire sedimenten (Onderste- Middelste- en Bovenste Palembanglagen). Zij zijn evenals in de zuidelijk aangrenzende Residentie Palembang, gevouwen. Deze vouwen zouden bergruggen van aanzienlijke hoogte (tot 2000 M. boven zee) vormen. De bergruggen zijn echter zoo sterk geërodeerd dat thans het geheele tertiaire gebied als buitengewoon gelijkvormig heuvelland (p én éplaine) verschijnt, dat uit de verte, van uit een bergtop gezien, den indruk maakt van een immense vlakte.
c. Het laagland is bedekt door alluviale vormingen en moerassen; de geologische gesteldheid van den ondergrond is niet bekend.
d. De eilandengroep Berhala, bestaat uit graniet van dezelfde soort als de granieten van Singkep en van Bangka. B. Geologische beschrijving van de controle-ndeeling Djambi. Aan de samenstelling der Afdeeling Djambiparticipeeren het Tigapoeloegebergte, het heuvelland, het laagland en de eilandengroep Berhala.
1. Het Tigapoeloegebergte strekt zich over een aanzienlijk gedeelte der afdeeling uit. Van uit het WNW. verloopend, daalt het gebergte naar hot Z. O. toe, om ten westen van een denkbeeldige lijn Moeara Tembesi-Pekan onder de tertiaire lagen van het heuvelland te verdwijnen. Merkwaardig is de wijze, waarop het gebergte, dat in het Noordwesten een groote, gesloten massa vormt, naar het zuidoosten toe eindigt, door in drie ketens over te gaan, die door jongtertiaire bochten van elkander gescheiden zijn. Deze zijn: De Boekit Baharketen, de Boekit Sesirihketen en de Boekit Toetoehanketen (zie kaartje). In het Djambische gedeelte van het Tigapoeloegebergte is een graniet massief aan de Pengaboeanrivier gevonden. Voor het overige bestaat het gebergte uit praetertiaire leien, zandsteenen, verwante sedimenten, die in de nabijheid van het granietmassief metamorf zijn en als hoornrotsen, leien en kwartsieten verschijnen. Behalve deze voortertiaire gesteenten
244

hebben aan den bouw van het gebergte nog eoceene zandsteenen deelgenomen, die o. a. de Boekit-Bahar keten vormen.
2. Het tertiaire heuvelgebied wordt naar het schijnt in het oosten begrensd door een in N.W.—Z. O. richting over de hoofdplaats Djambi verloopende lijn. Langs de Batang-Hari-rivier wordt het onderbroken door de alluviale vlakte van deze rivier, alwaar de oude rivierloopen gedeeltelijk nog aangeduid worden door een groot aantal meren. a. Stratigrafie. De volgende vier onderafdeelingen kunnen in het tertiair van het heuvelland (in eene volgorde van beneden naar boven, respectievelijk van de oudste tot de jongste) onderscheiden worden: De Telisalagen, de Onderste Palembanglagen, de middelste Palembanglagen en de Bovenste Palembanglagen.
De Telisa-lagen komen uit den aard der zaak alleen langs den rand van het Tigapoeloegebergte voor den dag. Het overheerschend gesteente is harde schief'erklei, dikwijls met een zeker kalkgehalte. Toch ontbreken zandsteenen niet geheel. In het diepste gedeelte der Telisalagen komt mooie, zwart glanzende bruinkool voor. De Onderste Palembanglagen komen in alle plooien (antiklinalen) van het tertiairgebied te voorschijn. Zij zijn samengesteld uit zuiver marinekleien en zandsteenen. Overal komen fossiele zeeschelpen en slakken voor. De gezamenlijke dikte is 1500 — 2000 M. Het meest gemakkelijk kunnen de sedimenten der onderste Palembanglagen bestudeerd worden aan den Batang-Hari, iets bovenstrooms van Doesoen Olak, alwaar de tertiaire heuvels tot aan de rivier treden. De Middelste-Palembanglagen zijn in Djambi niet zoo goed ontwikkeld als in het Palembangsche. Dekleigesteenten verschillen slechts weinig van die der onderste Palembanglagen. Alleen ontbreken marine-fossielen. Bijzonder kenmerkend voor de Middelste Palembanglagen is echter het voorkomen van bruinkool. Dikte en aantal der bruinkoollagen
245

nemen toe van het Noorden naar het Zuiden. Hunne volle ontwikkeling vertoonen zij echter eerst in het Palembangsche, alwaar bruinkoollagen van 15 - 20 M. dikte aangetroffen worden (b. v. bij Kampong Minjak). De kool is minder donker en minder glanzend dan de Telisakool, natuurlijk ook van meer inferieure kwaliteit. Tegenover doesoen Rengas-Tjondong komen sedimenten, behoorende tot de Middelste Palembanglagen zeer mooi voor den dag. Tengevolge van de lateritisatie zijn de gesteenten aldaar bontgekleurd. Van daar de naam NapalKembang, door de inlanders aan deze plaats gegeven.
De Bovenste Palembanglagen bestaan uit een wit tufachtig materiaal. Men heeft ter hoofdplaats Djambi gelegenheid, op verschillende plaatsen deze sedimenten te leeren kennen. b. Tectoniek.
Over de tectonische gesteldheid van het tertiaire heuvelland, met speciale inachtneming der voor de petroleumexploitatie belangrijke antiklinalen, zal binnenkort een rapport met detail- en overzichtskaarten uitgegeven worden. Hier wordt alleen er op gewezen, dat de intensiteit der plooiing kan nagegaan worden te Napal Kembang, welke plaats reeds hier boven genoemd werd bij gelegenheid van de bespreking der middelste Palembanglagen. Te Napal - Kembang ziet men duidelijk, dat de geheele sedimentmassa steil (tot 70°) opgericht is.
3. Het laagland geeft geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen. Zooals hierboven reeds werd medegedeeld, is het in geografisch en geologisch opzicht nog weinig bekend.
4. De Berhala eilandengroep, bestaat zooals hierboven reeds werd medegedeeld uitsluitend uit graniet. Op ettelijke plaatsen worden groote veldspaat en turmalijnkristallen aangetroffen.
V. Rivieren.
A. De Batang-Hari of Djambi-rivier. Zij vormt beneden de doesoen Simpang een delta met veel armen, waarvan slechts de Koeala Nioer voor kleine zeeschepen te bevaren is.
246

De vaargeul naar deze monding is bebakend en bij het begin van eene lichtboei voorzien.
In de Koeala Nioer is het 3 dagen na volle maan 's middags te 3 uur 45 minuten hoogwater. Op den drempel valt in den N.W. moesson in gewone tijden het water niet meer weg dan tot 0 a 7 voet en rijst het tot 14 a 15 voet; in den Z.O. moesson valt het tot 5 a 4 voet en rijst het tot 10 a 11 voet. Bij nieuwe en volle maan ongeveer 1 voet meer. De diepte in de Koeala Nioer varieert van P/4 tot 7 vadem. De Djambi- rivier is voor zeeschepon met 10 voet diepgang bij gemiddelden waterstand te allen tijde goed bevaarbaar tot de hoofdplaats. Meer bovenstrooms wordt de diepgang op enkele plaatsen minder, waardoor slechts hekwielers en schroefbooten van 6 voet diepgang haar opstoomen kunnen. De overige uitwateringen van de Djambi-rivier met name de Lapean, Alang - Alang, Lamboer, Pengoesiran, Sadoe, Berba en Aer Itam zijn voor de scheepvaart van geen beteekenis. Met uitzondering van de Koeala Sadoe en de Koeala Berba, die slechts voor schepen van 6 voet diepgang bij vloed bevaarbaar zijn, is de Batang-Hari langs de evenvermelde nitmondingen niet binnen te varen.
Van de zijrivieren, voor zoover zij hun stroomgebied binnen de afdeeling Djambi hebben, worden genoemd : a. de Soengei Boelian b. de Soengei Singoan c. de Soengei Pidjoan d. de Soengei Dendang, welke alle met stoomsloepen te bevaren zijn. Een groote zijarm van de Djambi-rivier is de Soengei Koempih, die zich bij Moeara-Koempih-Oeloe van de Batang Hari afscheidt om zich bij Koempih-Ilir weder met haar te vereenigen. Deze zijtak is slechts bij hoogen waterstand geheel te bevaren, anders slechts, van Koempih-Ilir af gerekend, tot doesoen Sipin.
Binn. lïo,t. dl. XI.II
247

B. De Toengkal-rivier.
Deze heeft een vrij uitgestrekten loop en is tot aan de samenvloeiing, ca. 30 zeemijl stroomopwaarts van den mond, met de Loemahan voor zeeschepen van 3 vadem diepgang zeer goed bevaarbaar. De breedte bedraagt daar nog ruim 100 M. Hooger op wordt zij belangrijk smaller en is zij nog slechts voor stoombootjes van ten hoogste 6 voet diepgang tot Pelaboehan Dagang op te varen Behalve de Loemahan stort zich nog 10 zeemijl boven Te-bing-Tinggi de Soengei Asem in de Toengkal uit. De oevers der Toengkal zijn laag en moerassig, met nipa begroeid en schaars bewoond Eerst bij Pekan begint het terrein heuvelachtig te worden. Het verval bedraagt bij Moeara Toengkal met springtij ongeveer 12 voet. De vloed is tot nabij Petja-Blango bovenstrooms Merloeng nog zeer goed merkbaar.
VI. Waterstanden
Van October tot en met Maart komen in de rivieren de hoogste waterstanden voor. In Januari staat veelal het meeste, in Juni en Juli het minste water. Het verschil tusschen hoogsten en laagsten waterstand kan ongeveer 4 vadem bedragen. Bij lagen waterstand is de vloed nog tot dicht bij Djambi merkbaar, bij hoogen daarentegen is zij boven Moeara Koempih Ilir niet meer waar te nemen. Boven Djambi bedraagt de stroomsnelheid van 2 tot 3i zeemijl per uur. Het verval in den mond der Koeala Nioer bedraagt van 6 tot 10 voet.
VII. Klimaat en Gezondheidstoestand,
Men onderscheidt een Z.O. en een N. W. moesson. De Z.O. moesson neemt een aanvang in April, in welke maand voornamelijk Z. 0., Z, en Z.W. winden waaien. Van Mei tot en met October staat de Z.O. moesson krachtig en zeer
248

Nog altijd verkiest de bevolking den rijstbouw op droge gronden, de z. g. ladangbouw, boven rijstcultuur op natte velden (sawahs). Sedert de laatste jaren echter wordt van bestuurswege getracht daarin waar mogelijk verandering te brengen. Door afdamming en behoorlijke afwatering middels sluizen van de z. g. paja's d. z. moerassen, ontstaan in de dalen der groote rivieren, tusschen begrenzende heuvels en relatief hooger opgeslibde rivieroevers gelegen, werden reeds eenige goed produceerende sawahs tot stand gebracht.
In de benedenstreken zullen binnen niet al te langen tijd, partij trekkende van het groote verval tusschen eb en vloed in straat Berhala, de dagelijks gedurende eenige oogenblikken geïnundeerde terreinen op plaatsen waar het opgestuwde rivierwater ophoudt brak te zijn, rijstvelden aangelegd worden.
De op deze wijze middels e. g. getijirrigatie ontstane sawahs zullen evenals zulks in de benedenstreken der Batang Kwantan het geval is, een belangrijke vermeerdering der rijstproductie ten gevolge kunnen hebben, waardoor langzamerhand uitvoer plaats kan vinden.
Naast rijst worden door de bevolking, doch uitsluitend ter voorziening in hare eigene behoeften aangeplant, peulvruchten, suikerriet, kapok, pinang, aren, sesamum, pisang, vruchtboomen, tabak en cocos.
Sedert de laatste jaren is als gevolg van de groote vraag naar rubber en rotan groote uitbreiding gegeven aan de cultuur van Hevea Brasiliensis en rotan sego (Calamus calsius). Dat de bodemgesteldheid voor de cultuur van de reeds boven genoemde producten uitermate geschikt is, bewijzen de reeds bestaande aanplantingen. Voor de cultuur van klappers leenen de benedenlauden zich bijzonder goed. Sedert eenige jaren hebben Bandjareezen (lieden uit Zuid-Borneo) zich aan de monding der Toeitgkal-rivier gevestigd en aldaar uitgebreide klapperaanplantingen aangelegd. Door het graven van draineergoten worden de kustmoerassen door hen in vruchtbare akkers getransformeerd.
259

BOOK XII
BIJDRAGEN EN MEDEDEFAANGEN VAN HET HISTORISCH GENOOTSCHAP (GEVESTIGD TE UTRECHT) ZEVEN EN VEERTIGSTE DEEL KEMINK & ZOON OVER DEN DOM TE UTRECHT 1926 ELECTR. DRUKKERIJ KEMINK & ZOON (OVER DEN DOM TE UTRECHT, 1926
POULE VRELLE

DE WITH, ZALIGER. 69
Inde twee voornoemde °erste straten, verovert eenige joneken, die onvrij waren. Komende ontrent Isla de Jaros 1), verovert een Spaens schip van de kust van Cormandel, vol stuekgoederen, passerende Aetzijn 2) na de kust voornoemt. Quam eijndelijek in de meant 1617. April op de gemelte kust, aendoende eerst Tegen- ampatnam 3), 't fort Palicatte ofte Geldria aen, eijndelijek voor IN[aselapettan 4), alwaer de ladinge outlast ende rapport aen de Heer Gouverneur Hans de llaes is gedaen. 9 Junij de gemelde Goude Leeuw weder met retouren affgeladen. Bij Schipper en Coopman affscheijt genomen, reis na Bantam gevordert. 12 Dito. Extraordinair rouw weer, verloren haer focke- mst en bougspriet, daer van niet meer gebergt, als fockeree, voorstenge en eselshooft. 15 Dito. Ben stomp geregt 5). 26 Dito. Sagen Aehem 6) en Puloway 7). Geresolveert, dor verlies van fockemast en bougspriet binnen door te seijlen. 29 Duo. Onder Poule Vrelle 8) geanekert en water
gehaelt. 30 Dito. Na become(' water, daer van t' zeij1 gegaen, 10 Augudii. Passeerdeii Malacqua. 11 Dito. Rencontreerden wij Cornmandeur Coomans 9), met 6 scliepen, gemunt Ida Ala1acqua om aldaer een exploict op 's vijants schepeit te doen, die hij vertroude daer te vinden, dog gemist. 21 Dito. Quamen onder 't Eijlant Carrimon 10) ten
------------------------
1) Poeloe Djarrali.
2) Atjeh.
3) Negapatam.
4) Masulipatain.
5) Len stomp opgericht voor fokkemast (noodmast).
6) Atjeh. De oude Portugeesche spelling is Achem.
7) Poeloe Welt
8) Lees: Varella (ook wel Berhala).
9) Cornelis Coomans. Zie over hem: J. W. IJzerman, „Cornelis Buijsero to Bantam" op verschillende plaatsen.
10) Karimon.

COURANT XIII
POULOU BERHALA
Nieuwe Leidsche Courant, 20/10/1926; p. 3/6

COURANT XIV
HET NIEUWS VAN DEN DAG, NO. 158, DINSDAG 12 JULI 1927
SCHILDPAD-EILAND

BOOK XV
ILE VARELA
TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE UITGEGEVEN DOOR DE NEDERLANDSCHE ENTOMOIOGISCHE VEREENIGING ONDER REDACTIE VAN Dr. J. Th. OUDEMANS, Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE EN Dr. A. C OUDEMANS. EEN-EN-ZEVENTIQSTE DEEL. Jaargang 1928. MET 3 ZWARTE EN 3 GEKLEURDE PLATEN. (31 December 1928).
(Page 119, 124, 125, 130, 131 dan 133)
(Poeloe Berhala = Pula Berhala)

BOOK XVI
KONINKLIJKE VEREENIGING „KOLONIAAL INSTITUUT" AMSTERDAM MEDEDEELING No. XLII SERIE SAMENVATTENDE OVERZICHTEN VAN GEWESTELIJKE GEGEVENS No. 1
DJAMBI
BEWERKT DOOR J. TIDEMAN MET MEDEWERKING VAN PH.K PADUK F. L. SIGAB
UITGEGEVEN MET STEUN VAN BET KONINKLIJK NEDERLANDEN AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP EN VAN HET ZUID SUHATRA INSTITUUT
DRUK OE BUSSY, AMSTERDAM — 1938
VERALA
&
BUKTI DATUK PADUKO BERHALO
DARI KETURUNAN SULTAN TURKI


Pagina 7
B. RIVIEREN 2 ).
Het gewest wordt bijna geheel ingenomen door het stroomgebied van de Batanghari, een ongeveer 800 km lange rivier, die in de bovenlanden van de residentie Sumatra's Westkust ontspringend, bij doesoen Tandjoeng het Djambische grondgebied bereikt, door de onderafdeelingen Moearatebo, Moearatembesi en Djambi langs de gelijknamige hoofdplaatsen stroomt, bij doesoen Simpang zich in twee armen splitst (de linkerarm: de Soengai Nioer en derechterarm: de Soengai Herbak), om vervolgens in de Straat Berhala (Zuid Chineesche Zee) uit te monden. In de aldus gevormde delta stroomen eenige vrij groote rivieren, o.a. de Soengai Pemoesiran en de Soengai Lamboer, die haar water aan de Soengai Nioer ontleenen. Bij Moearasabak mondt de Soengai Sabak in de Soengai Nioer uit, terwijl op eenigen afstand benedenstrooms laatstgenoemde rivier zich splitst in twee armen, waarvan de linkerarm (de kleinste), Soengai Lepean wordt genoemd. Op eenigen afstand bovenstrooms van Moearasabak valt de Soengai Dendang in de Soengai Nioer en vormt den toegangsweg tot het gebied van de oude marga Dendang. Ten Zuiden van de Soengai Berbak mondt de Air Hitam-laoct in de Straat Berhala uit. De Batanghari bevat talrijke zand- en grindbanken. Een groote bank ügl bij Sidjindjang, waardoor in den drogen tijd de uitmonding van de Soengai Koempeh (een zijarm, die tusschen Moearakoempeh-hoeloe en Moearakocmpeh-hilir een eiland van ongeveer 70 km lengte insluit en die slechts bij hoogen waterstand met stoomertjes tot 6 voet diepgang te bevaren is) wordt afgesloten. Bij Taehtoeljaman en Kampoengbaroe bevinden zich eveneens banken (X, 5).

Pagina 26
Als uitvloeisel van de bepaling in die ordonnantie (art. 2), dat het beheer van de natuurmonumenten en wildreservaten bij den Directeur van Economische Zaken berust, is de Hoofdinspecteur, Hoofd van den Dienst van het Boschwezen, door dat Departementshoofd belast met het daadwerkelijk beheer van die reservaten, welke geheel of gedeeltelijk binnen de in stand te houden bosschen zijn gelegen. Het toezicht op de binnen 's Lands bosschen gelegen natuurmonumenten en wildreservaten berust bij de betrokken boschbeheerders; voor zoover ze buiten 's Lands bosschen liggen, berust het toezicht op Java en Madoera bij de rcsidenten-afdeelingshoofd en in de Buitengewesten bij de hoofden van gewestelijk bestuur '). Bij Staatsblad 1935 No. 521 is, op den voet van hooger bedoelde ordonnantie:
I°. als vvilelreservaat aangewezen: een terrein, greieit emgeveer 190.000 ha, gelegen in het gewest Djambi en begrensd als volgt: ten Oosten: door ele Zuid Chineesche Zee, ten Noorelen: eloor de Straat Berhala, ten Westen: door ele- Soe-ngai Berbak van de monding tot waar in

Pagina 64
hoorde hij zijn geschiedenis. Hij voer naar het rijk van zijn vader terug, verkreeg zeer vele volgelingen en bestreed bij Moearasabak zijn vader, die in dezen strijd werd gedood. Volgens de eene overlevering keerde hij terug naar Siam, nam de Djambiërs mede en liet het rijk als een wildernis achter (V, I—2).1 —2). Mermes ') evenwel vertelt, dal de zoon doorreisde naar Poetri Pinang Masak, aan wie hij zijn rijk aanbood, terwijl hij zelf terugkeerde naar Siam. Poetri Pinang Masak nam het rijk aan en vertrok naaide Sultansstad. Met haar gingen, behalve vele volgelingen, drie broeders mee. n.l. Soenan Moeara Pidjoean, Soenan Kembang Sari en Soenan Poelan Djohor. Deze drie speelden later een rol bij het instellen van de Bangsa XII. Het rijk droeg den naam Ocdjoeng Djaboeng. Nadat Poetri Pinang Masak eenigen tijd geregeerd had, strandde op het eiland Berhala of Verala, op ongeveer 80 km ten N.O. van de Koeala Herbak — de Oostelijke hoofdmonding van de Djambi-rivier en op ongeveer gelijken afstand zuidelijk van Singkcp gelegen, een schipbreukeling. Deze man zou uit Constantinopel (Roem) gekomen zijn en een zoon van den Sultan van Turkije geweest zijn. Hij heel Ie Datoek Padoeka Berhala. Plaats van herkomst en naam wijzen op een neiging om het vorstengeslachl van hooge afkomst te doen zijn. Naar dezen avonturier zou het eiland genoemd zijn. Op zekeren dag begaf Datoek Padoeka Berhala zich naar Ocdjoeng Djaboeng, thans tot het aan zee grenzend deel van het onderdistrict Moearasabak behoorend, maar toen volgens de overlevering nog met het eiland Berhala verbonden. Daar in Ocdjoeng Djaboeng woonde Poetri Pinang Masak, die door haar buitengewone gaven en beleidvol optreden hier zoo veel macht had verkregen, dat zij ten slotte als vorstin werd erkend. Nadat Datoek Padoeka Berhala aan Poetri Pinang Masak een geweer had laten zien. dal hij als ..pocsnka" uit Roem bad meegebracht, waaruil bleek, dat hij van vorstelijken bloede was. kwam bet spoedig 10l een huwelijk (V, I—2). Gedurende het bestuur van Datoek Padoeka Berhala en Poetri Pinang Masak nam het rijk Ocdjoeng Djaboeng voortdurend in bloei en welvaart toe, terwijl rondreizende handelaren den roem van dit gebied verbreidden. Onder die handelaren waren er uit Mataram (Majapahit), die, in hun vaderland teruggekeerd, de wijsheid der vorstin Poetri Pinang Masak geestdriftig verkondigden. De vorst van Majapahit, tot wien haar roem reeds doorgedrongen was. gaf haar den naam Poetri Djamboe (pinang). Sedert dien werd het rijk Ocdjoeng Djaboeng dan ook Djambe genoemd. Uit het huwelijk van Datoek Padoeka Berhala en Poetri Pinang Masak werden vier kinderen geboren n.1.: 1. Orangkajo Pingai, 2. Orangkajo K(P)cdataran, 3. Orangkajo Gemoek, 4. Orangkajo Hitam. De vorst van Mataram (Majapahit) was machtig en ook Djambi moest bukken voor zijn geweld. In dien tijd van onderwerping moest de bevolking oorlogsschatting betalen aan den gevreesdeii vorst. Orangkajo Hitam had een wreedaardig karakter, wal echter gepaard ging met groote dapperheid en bovennatuurlijke eigenschappen, die hem in den strijd steeds deden zegevieren. Toen hij, meerder jarig geworden. vernam, dat zijn vaderland oorlogsschatting moest opbrengen ten behoeve van Mataram's vorst, verzette hij zich daartegen en verbood den menschen op straffe des doods nog langer aan die v ernederende verplichting te voldoen, een verbod, dat niemand — zelfs zijn ouders niet, — durfde trotseeren.
1 ) Zie noot 2op vorige pagina.

Pagina 214
vangen is het afzetten van een zijrivier of meer uitmonding met een pagar. Bij hoog water gaat de viseh naar binnen; bij afnemenden bandjir wil zij weer terug naar de groote rivier, doch worelt, eipgevangen achter de opgestelde pagar (XLII, 43 —45). Zijrivieren, vischvijvers, danau's (doeide rivierarmen) en meren worden ten bate van de margakas verpacht (XLII, 45; XLIII, 41 —42). In de onderafdeeling Bangko vischt men voor eigen gebruik of voor den binnenlandschen handel. In sommige streken (o.a. Scnggrahan, Tiangpoempoeng) wordt de viseh meestal gedroogd op den pasar gebracht (XXVIII, 20; XXXI, 13).
1). JACHT.
De jacht wordt thans beheerscht door de Jachtordonnantie- 1931 en de Jachtverordening- 1931 (Staatsblad Nos. 133 en 2(15, gewijzigd bij Stbl. 1933 No. 331 en 1934 No. 45 en 1937 No. 546) en de Dierenbeschermingsordonnantie- 1931 en de Dierenbcschermingsverordening--1931 (Stbl. Nos. 134 en 266 jo. Stbl. 1935 Xo. 513) (Vgl. o.a. I, 33). Bij Stbl. 1935 No. 521 werd een terrein in de residentie Djambi als wildreservaat aangewezen, ongeveer 190.000 ha groot en begrensd als volgt: ten Oosten: door de Zuid Chineesche Zee, ten Noorden: door Straat Berhala, ten Westen: door de Soengai Berbak van de monding tot waar in die rivier uitstroomt de Air Hitam dalam en voorts door laatstgenoemde rivier tot aan de grens van de marga Djeboes. ten Zuiden: door de grens tusschen de marga's Djeboes en Berbak benevens de Soengai Benoe. Dit gebied draagt den naam van „Wildreservaat Berbak". In de onderafdeeling Djambi wordt weinig aan jacht gedaan; op een enkele plaats worden soms door middel van een lange lijn, waaraan een menigte rotanlussen (djaring), herten gevangen (VIII, 11).

Pagina 240

I. Historisch Overzicht.

In 1833 werd als straf voor de herhaalde invallen der Djambiërs in Palembang, een bezetting gelegd te Moeara Koempih en werden daar rechten geheven ten bate van het Neder-landsch-Indische gouvernement. In 1834 werd met den sultan van Djambi een contract gesloten waarbij o.m. erkend werd dat het land deel uitmaakt van Nederlandsch-Indië. De in 1855 opgetreden sultan Taha echter weigerde de Nederlandsche suzereiniteit te erkennen, wat in 1858 aanleiding gaf tot het zenden eener militaire expeditie naar Djambi. Sinds dien tijd dateert onze vestiging op de tegenwoordige hoofdplaats. Taha was met de zijnen naar de bovenlanden gevlucht en bleef daar tot 1904 het feitelijk gezag uitoefenen, niettegenstaande hij van zijne waardigheid vervallen verklaard en in zijn plaats een ander tot sultan benoemd was. De laatste sultan abdiceerde in 1891. Sedert dien is het gouvernement van Nederlandsch-Indië in de sultanswaardigheid getreden en legde men de eerste hand aan de hervorming en verbetering der binnenlandsche toestanden. Tegen den Pretendent-Sultan Taha in de bovenlanden werd meer actief en krachtiger opgetreden, terwijl in de benedenlanden met vele gezagvoerende, in den sultanstijd aangestelde apanagehouders directe aanrakingen onderhouden werden.
In 1906 was men met het pacificatiewerk zoo ver gevorderd dat Djambi tot een zelfstandig gewest kon worden verheven.
De leiders van het politiek verzet tegen het Gouvernement werden verbannen en de overige vorstenafstammelingen ter hoofdplaats Djambi geïnterneerd.

Pagina 241
In 1906 was men met het pacificatiewerk zoo ver gevorderd dat Djambi tot een zelfstandig gewest kon worden verheven.
De leiders van het politiek verzet tegen het Gouvernement werden verbannen en de overige vorstenafstammelingen ter hoofdplaats Djambi geïnterneerd.
11. Ligging en grootte,De afdeeling Djambi is gelegen tusschen 0° 47' en 1° 39' Z. B. en tusschen 103° 20' en 104° 30' O. L. van Greenwich.
De oppervlakte bedraagt p. m.300n ge°gr- mijlen.
In het noorden wordt ze begrensd door de landschappen Reteh en Indragiri der residentie Riouw en Onderhoorigheden.
In het westen door de afdeelingen Moeara Tembesi en Moeara Tebo.
In het oosten door straat Berhala.
111. Vorm en gesteldheid van het teukein.
De twee groote rivieren Batang Hari en Toengkal, die de afdeeling doorsnijden en de vele kleinere stroomen, die direct in zee uitwateren treden in haren benedenloop veelvuldig buiten hare oevers en vormen daar tot diep landwaarts in, uitgestrekte moerassen.
Het lage, schaars bevolkte kustgebied tusschen Toengkal en Batang Hari, bekend onder den algemeenen naam van Pajah-Lebar, kan men zich aan de westzijde begrensd denken door
een rechte lijn loopende over Kwala Loemahan aan de Toengkal en de hoofdplaats Djambi.
Eerst ten westen van deze lijn wordt het terrein langzamerhand hooger.
Toch worden de oevers van de Batang Hari bij hoogen bandjir nog 3 a 6 K. M. landwaarts in, overstroomd en onbegaanbaar gemaakt.
Slechts hier en daar strekt het hooge, bandjirvrije terrein zich tot aan de rivier uit.

Pagina 242
IV. Geologische Beschrijving. *)
A. Morfologisch en geologisch overzicht over de geheele Residentie Djambi.
1. Morfologie.
Ongeveer de helft der oppervlakte der Residentie Djambi is bergland, de andere helft bestaat uit heuvelland en laagland.
a. In het bergland kunnen drie gebergten onderscheiden worden, n. 1. het Barissangebergte, het Tigapoeloegebergte en het Doeablasgebergte. Zooals bekend is, strekt zich het Barissangebergte
over de geheele lengteas van Sumatra uit. Van dit gebergte valt het betrekkelijk kleine, tusschen 1° en 3° zuid.
gelegen segment op Djambisch gebied. Het Tigapoeloegebergte en het Doeablasgebergte zijn als uitloopers van het Barissangebergte te beschouwen.
Het Tigapoeloegebergte strekt zich als zoodanig uit tusschen de rivieren Kwantan en Batang-Hari en vormt de grens tusschen de Kwantan-Indragirilanden en Djambi. Het grootere
gedeelte ligt echter op Djambisch territorium. Het Doeablasgebergte bevindt zich ongeveer in het midden der Residentie, tusschen de rivieren Batang-Hari en Merangin.
Het Barissangebergte verloopt in den vorm van een ca.
100 K. M. breede strook in NNW —ZZO richting door het Westelijk gedeelte der Residentie. De gemiddelde kamhoogte bedraagt ca. 2000 M. De in dit gebergte zich verheffende vulkaantoppen bereiken echter eene grootere hoogte. Genoemd kunnen worden: de Patah Sembilan, de Piek van Indrapoera en Goenoeng Toedjoeh in het noorden; Goenoeng Raja en Goenoeng Sebanban in het midden en de Boekit Soembing, Boekit Mesoerai en Boekit Toenkat in het zuiden.
Van deze vulkaanbergen zijn werkzaam, de Piek van Indrapoera (3806 M., de hoogste bergtop van Sumatra) en de Boekit Soembing (2400 M.). Het Tigapoeloegebergte en het 1) Door den tijdelijk Geoloog bij het Mijnwezen Dr. Aug. Tobler (met schetskaartje 1 : 1000.000.)

Pagina 243
IV. Geologische Beschrijving. *)
A. Morfologisch en geologisch overzicht over de geheele
Residentie Djambi.
1. Morfologie.
Ongeveer de helft der oppervlakte der Residentie Djambi is bergland, de andere helft bestaat uit heuvelland en laagland.
a. In het bergland kunnen drie gebergten onderscheiden worden, n. 1. het Barissangebergte, het Tigapoeloegebergte en het Doeablasgebergte. Zooals bekend is, strekt zich het Barissangebergte
over de geheele lengteas van Sumatra uit. Van dit gebergte valt het betrekkelijk kleine, tusschen 1° en 3° zuid.
gelegen segment op Djambisch gebied. Het Tigapoeloegebergte en het Doeablasgebergte zijn als uitloopers van het Barissangebergte te beschouwen.
Het Tigapoeloegebergte strekt zich als zoodanig uit tusschen de rivieren Kwantan en Batang-Hari en vormt de grens tusschen de Kwantan-Indragirilanden en Djambi. Het grootere gedeelte ligt echter op Djambisch territorium. Het Doeablasgebergte bevindt zich ongeveer in het midden der Residentie, tusschen de rivieren Batang-Hari en Merangin.
Het Barissangebergte verloopt in den vorm van een ca.
100 K. M. breede strook in NNW —ZZO richting door het Westelijk gedeelte der Residentie. De gemiddelde kamhoogte bedraagt ca. 2000 M. De in dit gebergte zich verheffende vulkaantoppen bereiken echter eene grootere hoogte. Genoemd kunnen worden: de Patah Sembilan, de Piek van Indrapoera en Goenoeng Toedjoeh in het noorden; Goenoeng Raja en Goenoeng Sebanban in het midden en de Boekit Soembing, Boekit Mesoerai en Boekit Toenkat in het zuiden.
Van deze vulkaanbergen zijn werkzaam, de Piek van Indrapoera (3806 M., de hoogste bergtop van Sumatra) en de Boekit Soembing (2400 M.). Het Tigapoeloegebergte en het 1) Door den tijdelijk Geoloog bij het Mijnwezen Dr. Aug. Tobler (met schetskaartje 1 : 1000.000.)

Pagina 244
b. Het heuvelland wordt gevormd door jongtertiaire sedimenten (Onderste- Middelste- en Bovenste Palembanglagen). Zij zijn evenals in de zuidelijk aangrenzende Residentie Palembang, gevouwen. Deze vouwen zouden bergruggen van aanzienlijke hoogte (tot 2000 M. boven zee) vormen. De bergruggen zijn
echter zoo sterk geërodeerd dat thans het geheele tertiaire gebied als buitengewoon gelijkvormig heuvelland (p én éplaine) verschijnt, dat uit de verte, van uit een bergtop gezien, den indruk maakt van een immense vlakte.
c. Het laagland is bedekt door alluviale vormingen en moerassen; de geologische gesteldheid van den ondergrond is niet bekend.
d. De eilandengroep Berhala, bestaat uit graniet van dezelfde soort als de granieten van Singkep en van Bangka.
B. Geologische beschrijving van de controle-ndeeling Djambi.
Aan de samenstelling der Afdeeling Djambi participeeren het Tigapoeloegebergte, het heuvelland, het laagland en de eilandengroep Berhala.
1. Het Tigapoeloegebergte strekt zich over een aanzienlijk gedeelte der afdeeling uit. Van uit het WNW.
verloopend, daalt het gebergte naar hot Z. O. toe, om ten westen van een denkbeeldige lijn Moeara Tembesi-Pekan onder de tertiaire lagen van het heuvelland te verdwijnen.
Merkwaardig is de wijze, waarop het gebergte, dat in het Noordwesten een groote, gesloten massa vormt, naar het zuidoosten toe eindigt, door in drie ketens over te gaan, die door jongtertiaire bochten van elkander gescheiden zijn. Deze zijn:
De Boekit Baharketen, de Boekit Sesirihketen en de Boekit Toetoehanketen (zie kaartje).
In het Djambische gedeelte van het Tigapoeloegebergte is een graniet massief aan de Pengaboeanrivier gevonden.
Voor het overige bestaat het gebergte uit praetertiaire leien, zandsteenen, verwante sedimenten, die in de nabijheid van het granietmassief metamorf zijn en als hoornrotsen, leien en kwartsieten verschijnen. Behalve deze voortertiaire gesteenten

Pagina 245
hebben aan den bouw van het gebergte nog eoceene zandsteenen deelgenomen, die o. a. de Boekit-Bahar keten vormen.
2. Het tertiaire heuvelgebied wordt naar het schijnt in het oosten begrensd door een in N.W.—Z. O. richting over de hoofdplaats Djambi verloopende lijn. Langs deBatang-Hari-rivier wordt het onderbroken door dealluviale vlakte van deze rivier, alwaar de oude rivierloopen gedeeltelijk nog aangeduid worden door een groot aantal meren.
 

DiPosting Oleh : Beny Setiawan ~ Pakbendot.com

Artikel FAKTA DAN BUKTI SEJARAH BAHWA "PULAU BERHALA" MILIK PROVINSI JAMBI ini diposting oleh Beny Setiawan pada hari Jumat, 06 April 2012. Terimakasih atas kunjungan Anda, serta kesediaan Anda membaca artikel ini. Kritik dan saran dapat anda sampaikan melalui kotak komentar.Wassalam..

:: HOME::

Share this article :
Comments
0 Comments

0 komentar:

Poskan Komentar

Silahkan Komentar dengan Baik Dan benar